upload image

Floris Pieter Fiers

Privacy Level: Open (White)
Date: 24 Mar 2019 [unknown]
Location: [unknown]
Surname/tag: Fiers
This page has been accessed 134 times.
Note N164 Een ondeugdzaam heer van goeden huize

door P.J. Fierst van Wijnandsbergen

Predikanten, apothekers en postdirecteuren in redelijk goede welstand, ziedaar het respectabele Haarlemse milieu, waarin Floris Pieter Fiers op 15 december 1777 werd geboren. Zijn vader Pieter Fiers was de postdirecteur van Haarlem, een ambt waarin deze diens vader, Martinus Fiers, in 1775 was opgevolgd. ‘
Pieter Fiers stierf reeds op 10 februari 1781, zijn zoon Floris Pieter als driejarig en enig overgebleven kind achterlatend onder de hoede van diens moeder, Alida Johanna Telvooren. De weduwe hertrouwde op 2 februari 1790 met de weduwnaar Jacob Nicolaas Elout, die echter enkele maanden later op zijn beurt overleed.

Veel directe vaderlijke zorg heeft Floris Pieter dus niet gekend. Zonder twijfel zal hij wel een behoorlijke opvoeding en goede schoolopleiding hebben genoten, die hem er op voorbereidde om te zijner tijd als gezeten burger zijn rol op waardige wijze te kunnen vervullen.

Of hij als jongeman, na zijn vormende jaren, ooit iets nuttigs heeft gedaan, al of niet beroepsmatig, is niet duidelijk. Wel schijnt hij zich enige tijd als koopman te hebben beziggehouden. In de genealogie van de met de familie Fiers geparenteerde familie Van der Vlugt, gepubliceerd in Gens Nostra 1978, wordt vermeld dat Floris Pieter Fiers schepen van Haarlem zou zijn geweest. Dit moet een misverstand zijn. In het boekje De Regeering te Haarlem van 179.51824 van W.P.J. Overmeer, waarin alle stedelijke bestuurders en aanverwante functionarissen uit dat tijdvak worden opgesomd, komt zijn naam niet voor. Evenmin in het Naamregister van de heren van de regering der stad Haarlem, aanwezig in het gemeentearchief aldaar.

Floris Pieter Fiers trouwde op 18 juli 1798 met Elisabeth Catharina Trioen. Zij was geboren op 20 augustus 1777 als dochter van Izack Trioen en Sara Smeding. Beide ouders stamden uit respectabele Haarlemse apothekersgeslachten. Elisabeth Catharina was hun enig kind.

Zoals niet ongebruikelijk bij een huwelijk tussen twee jonge mensen van goeden huize die na verloop van tijd aantrekkelijke erfenissen mogen verwachten, werd er tevoren een huwelijkscontract opgemaakt. In dit geval een contract “zonder aventagiën”, d.w.z. geen enkele gemeenschap van goederen, direct of in de toekomst.

De woelige tijden waarin het land verkeerde, hadden blijkbaar weinig of geen invloed op het prille huwelijksgeluk. In de Opregte Haarlemsche Courant was weldra de volgende annonce te lezen:
Mijne tedergeliefde Echtgenoote Elisabeth Catharine Trioen is heden zeer voorspoedig bevallen van een welgeschapen zoon.
F.P. Fiers, Haarlem 8 October 1801
Deze, eerste, zoon werd Pieter genaamd. Een kleine twee jaar later volgde het bericht:

Mijne geliefde Huisvrouw, Elisabeth Catharina Trioen, is heden zeer voorspoedig bevallen van een welgeschapen zoon.
F.P. Fiers, Haarlem 3 July 1803

De tweede zoon kreeg de namen Jan Izack.

Al met al, een huwelijk in comfortabele omstandigheden, met tedere liefde, voorspoedige bevallingen en welgeschapen zonen. Het was een veelbelovend begin. Er stak echter een distel in dit huwelijksboeket: Floris Pieter Fiers meende oprecht dat hij in zijn zelfontplooiing niet belemmerd mocht worden door iets vulgairs als geld. Hij wilde dat kunnen uitgeven wanneer en naar de mate waarin hij dat nodig oordeelde voor zijn welbevinden. Of het daarbij om eigen of andermans geld ging, was niet van overwegend belang.

De stringente huwelijkse voorwaarden leken reeds te suggereren dat een zekere bescherming van de financiële belangen van de toekomstige echtgenote niet overbodig werd geacht. Wat ook mocht gebeuren, het vermogen van de echtgenote en de revenuen daarvan zouden voor de echtgenoot net zo goed op de maan hebben kunnen liggen als in Haarlem.
In die situatie kwam verandering twee maanden voor de geboorte van het eerste kind. De echtelieden lieten toen een mutueel testament opmaken, waarbij zij bepaalden dat de langstlevende echtgenoot enigen universeel erfgenaam zou worden van de eerststervende.’ De huwelijkse voorwaarden waren daarmee goeddeels ontkracht.
Buitendien lieten tegelijkertijd de moeders van de beide echtelieden notarieel vastleggen dat zij zouden afzien van hun legitieme porties ingeval van vooroverlijden van hun respectieve kinderen zonderdescendenten.*
Zo lang er geen kinderen in leven waren, zou dus het overlijden van een van de echtgenoten voor de andere maximaal gewin opleveren, louter materialistisch bezien. Nu was de kans op een vroeg verscheiden van een van hen niet geheel denkbeeldig: Elisabeth Catharina was in verwachting van haar eerste kind en in die tijd was een eerste bevalling altijd nog een aangelegenheid met zekere risico’s voorkraamvrouw en boreling.
De besproken testamentaire wijzigingen en het tijdstip daarvan, waren dan ook opportuun te achten, vooral uit een oogpunt van veiligstelling van de materiële toekomst van Floris Pieter. Alles ging echter goed met die eerste bevalling en gelukkig ook met de tweede. Het resultaat was dat Floris Pieter er in juli 1803 twee welgeschapen mede-erfgenamen bij had, maar geen uitzicht op een spoedige erfenis.

Schulden

Intussen had hij zijn financiële situatie schrikbarend uit de hand laten lopen en zat hij verstrikt in een schuldenweb, waaruit hij zich niet gemakkelijk kon bevrijden. Hij beschikte nog wel over 7 obligaties van 1000 gulden elk, die hem uit de nalatenschap van zijn grootmoeder, Catharine Haringkarspel, weduwe van Martinus Fiers, bij de boedelscheiding in 1798 waren toebedeeld. Op 22 juli 1803 machtigde hij een makelaar om deze obligaties voor hem te gelde te maken. Die voerde de lastgeving echter eerst ruim een jaar later uit. In de tussentijd was er wel iets gebeurd!
Begin 1804 zag Floris Pieter Fiers er geen gat meer in en verloste zich uit zijn benarde positie door met de noorderzon te vertrekken. De gebeurtenissen volgden elkaar daarna in snel tempo op, zoals de betreffende archiefstukken ons leren...
6 april 1804. Alida Johanna Telvooren, Floris Pieter’s moeder, stelt, in een late poging om nog hulp te bieden, een obligatie tot het niet geringe bedrag van 14000 gulden aan haar zoon ter beschikking.
9 april 1804. Floris Pieter Fiers, “koopman wonende te Haarlem, tegenwoordig binnen Dordrecht”, geeft een generale machtiging aan de notaris en procureur Willem Arnoldus Haselaar te Haarlem, om alzijn zaken, van welke aard ook, binnen en buiten Haarlem, waar te nemen zowel in als buiten recht.”
21 april 1804. De schoonmoeder van Floris Pieter, Sara Smeding, vindt de tijd gekomen om haar vermogen en dus t.z.t. het erfdeel daarin van haar dochter en kleinkinderen af te schermen van de geldelijke “faits et gestes” van haar schoonzoon. Zij wenste haar kleinkinderen bij het bereiken van de volwassenheid verzekerd te weten van een behoorlijke financiële basis. Dat kon door middel van een testament “fidei commis” betrekkelijk eenvoudig geregeld worden.
Tegelijkertijd echter wilde zij haar dochter zo goed mogelijk verzorgd achterlaten als zij zelf zou komen te overlijden. Maar dan wel met een afdoende bescherming tegen de monetaire listen en lagen, die zij van de zijde van haar schoonzoon verwachtte. Diens schulden, bestaande of toekomstige, mochten niet
uit door haar na te laten gelden worden betaald: zij vreesde dat anders de financiële verzorging van haar nabestaanden in gevaar zou kunnen komen. En zij koesterde wel enige argwaan of haar dochter niet toch vroeger of later uit misplaatste gevoelens jegens haar echtgenoot zich in diens netten zou laten strikken.
Elisabeth Catharina Trioen moest dus ook tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Om al deze desiderata adequaat en zonder juridische aangrijpingspunten te verwoorden, was nog niet zo’n
eenvoudige zaak. De notaris had er twintig bladzijden voor nodig, vele daarvan met verbeteringen, aanvullingen of doorhalingen.
Met het resultaat kon Sara Smeding tevreden zijn: de schoonzoon volledig onterfd, de kleinkinderen t.z.t. goed verzorgd, haar dochter eveneens, mits . . . . . . . en anders ook onterfd.
Tot executeuren van dit testament werd ter meerdere zekerheid van een richtige naleving een indrukwekkend college benoemd, waarvan de secretaris van de stad Haarlem en twee notarissen deel
uitmaakten.
8 juni 1804. Floris Pieter Fiers, “wonende te Haarlem doch thans present in ‘s Bosch” machtigt de eerder genoemde notaris en procureur Willem Arnoldus Haselaar te Haarlem, om in zijn naam een provisionele separatie van tafel, bed, bijeenwoning en goederen tussen hem en zijn vrouw, Elisabeth Catharina Trioen, te effectuëren, zijn vrouw voor zoveel nodig daarbij te assisteren en voorts om eenhuis in de Warmoesstraat te Haarlem - door hem in mei 1803 gekocht - voor hem te verkopen, evenals zijn ander bezit.
22 juni 1804. Op verzoek van de beide echtelieden gaan schepenen van Haarlem akkoord met een provisionele scheiding van tafel, bed enz. op nader te bepalen voorwaarden en wijze. Zij verlenen daartoe aan Elisabeth Catharina Trioen “veniam agendi’ ’ . Is 21 juli 1804. De akte van separatie wordt gepasseerd voor notaris Johannes Petrus Kuenen te Haarlem.r6 De comparanten zijn Willem Arnoldus Haselaar, notaris en procureur, optredend namens Floris Pieter Fiers, ter ene zijde en Elisabeth Catharina Trioen ter andere. Geconstateerd wordt dat de echtelieden op 18 juli 1798 waren getrouwd “in de billijke hoop en verwachting dat hetzelve huwelijk volkomen en ongeschonden zoude hebben blijven standhouden, tot dat de dood van een van beijden daaraan een einde mogt komen te stellen, dan, dat een compleet dérangement in de boedel en zaaken van den principaal van den comparant ter eener, gevolgd door deszelfs absentie van hier, den principaal van den comparant ter eener en de comparante terandere zijde hadden doen te raaden worden, omme ter voorkoming van verdere
onheijlen en nadeelige gevolgen, bij provisie van elkanderen te separeeren van tafel, bed,
bijeenwooning en goederen”. Een en ander onder de volgende voorwaarden:
1. Kleding en sieraden blijven bij de gebruiker.
2. Huisraad, meubilair en andere inboedel zijn grotendeels het privé-eigendom van de echtgenote, daarbij krijgt zij het weinige dat aan haar man toebehoort.
3. Al hetgeen overigens van de echtgenoot is, daaronder begrepen: zijn bibliotheek, het huis in de Warmoesstraat ter waarde van ca. f 1400, de effecten of obligaties te zijnen name, ook de zeven van f1000 en die van f 14OMt, waarvan boven sprake was, zal te gelde worden gemaakt en aangewend om zijn schulden bij derden af te lossen. Wat daarna overschiet moet worden uitgekeerd aan de echtgenote inmindering op de vordering die zij krachtens de huwelijkse voorwaarden heeft.
4. Bezittingen van welke aard ook van de echtgenote blijven haar privé-eigendom.
5. In winst en verlies gedurende het huwelijk opgekomen, zal de echtgenote niet participeren, deze blijven derhalve voor rekening van de echtgenoot, evenals de schulden staande het huwelijk aangegaan uit welken hoofde ook.
6. De beide kinderen blijven bij de moeder. De echtgenoot zal in hun opleidings- en onderhoudskosten bijdragen, zoveel zijn omstandigheden dat in de tijd mogelijk maken en “zijn betrekking als vaderhem zal gebieden”.
7. Toekomstige inkomsten, erfenissen, e.d. blijven aan degeen aan wiens zijde deze opkomen, onverminderd de rechten van de echtgenote wegens haar vordering ten laste van haar man. Schulden aangegaan na beëindiging van de samenwoning blijven voor rekening van degeen die deze heeft aangegaan.
8. De echtgenoot doet afstand van de maritale macht die hem over de echtgenote en haar goederen competeert.
3 augustus 1804. Schepenen van Haarlem condemneren Floris Pieter Fiers en Elisabeth Catharina Trioen in de inhoud en nakoming van de akte van separatie dd. 21 juli 1804, separeren hen diensvolgens vantafel, bed, bijeenwoning en goederen, verbieden dat de een ten laste van de ander gedurende de separatie schulden maakt en ordonneren dat dit desgewenst door publikatie of bij affiche “aan den volke” zal worden bekend gemaakt.
12 december 1804. Elisabeth Catharina Trioen, “gesepareerde huisvrouw” van Floris Pieter Fiers, past haar testament aan de gewijzigde omstandigheden aan. Onder herroeping van alle voorgaande, met of zonder haar echtgenoot, gemaakte wilsbeschikkingen, benoemt zij haar beide kinderen, of hun descendenten, tot haar enige en universele erfgenamen.
1804 was een enerverend jaar geweest voor alle betrokkenen, 1805 begon niet veel beter.
Sara Smeding, reeds geruime tijd zwak en ziekelijk, stierf op 20 april 1805 in haar woning aan het Spaarne tegenover de Gravestenenbrug. Zij liet een aanzienlijke erfenis na aan haar dochter en kleinkinderen. Aan haar woonhuis was zij zozeer gehecht geweest, dat zij in haar bovenbedoeld testament had laten opnemen: “haar hartelijk verlangen uit hoofde van de bijzondere geneijgdheid welke zij gevoeld, dat voorschreeve huijs en erve zo veel eenigsints mogelijk zij onder haare descendenten, zowel ten opzigte van het gebruijk, als van den eijgendom verblijve”. De woning had zij onder verband van fideï commis aan haar petekind en kleinzoon Jan Izack Fiers gelegateerd, met het beding dat diens moeder, haar dochter, haar leven lang de vrije bewoning ervan zou genieten. De
benodigde gelden voor onderhoud en andere woonkosten waren mede bij wijze van legaat ter beschikking gesteld.
Te betwijfelen valt of Elisabeth Catharina Trioen ooit aan het verlangen van haar moeder om het betreffende huis te gaan bewonen, heeft voldaan. Zeker is dat zij -wanneer is onbekend - Haarlem voor goed heeft verlaten en zich met haar kinderen in Lisse heeft gevestigd. Haar oude omgeving had blijkbaar weinig aantrekkelijks meer voor haar. Waar Floris Pieter Fiers zich bevond, wist zij niet.
De zonen
Toen zij daarvoor oud genoeg waren, werden beide zonen in de gemeente Lisse voor de Nationale Militie ingeschreven en na loting tot militaire dienst verplicht. Geen van beiden heeft overigens daadwerkelijk gediend. Pieter voldeed aan zijn dienstplicht door het indienststellenvan een plaatsvervanger, en Jan Izack werd vrijgesteld “uit hoofde van de volbrag-te dienst van zijn broeder, bij remplacement”.
De oudste zoon - inmiddels was hij zich Pieter Fiers Smeding gaan noemen en schrijven - in 1824 afgestudeerd in Leiden als jurist en in afwachting van een benoeming bij het Hof van Civiele Justitie teParamaribo praktiserend advocaat in Haarlem, trouwde op 23 maart 1827 te Amsterdam met Maria Johanna Verwayenlg en vertrok kort daarna met zijn vrouw naar Suriname.
Ten behoeve van dit huwelijk had Elisabeth Catharina Trioen een formeel huwelijksconsent doen opmaken door een notaris, in welke akte zij zich “echtgenoote van den Heer Floris Pieter Fiers, wiens aanwezen onbekend is” noemde. Zij was zich volslagen onbewust van het feit dat zij reeds een
aantal jaren weduwe was!
Bij het huwelijk van haar tweede zoon, Jan Izack Fiers apotheker in Den Haag, met Christina Henriëtta Carolina Heule, welk huwelijk daar ter plaatse werd voltrokken op 12 augustus 1829, was dat inmiddels wel bekend. Bij de diverse huwelij ksbijlagen zit een verklaring van de Minister voor de Marine en Koloniën, gedateerd 20 oktober 1828, waarin deze te kennen geeft “dat uit de bij deszelfs Departement gehoudene registers blijkt, dat Floris Pieter Fiers, laatstelijk fungerend onderkommissaris der Marine te Sourabaya in Neerlands Indië is overleden”.
Floris Pieter Fiers te Rotterdam
Wat weten we over leven en werken van Floris Pieter Fiers nadat hij in 1804 vrouw en kinderen in Haarlem had verlaten? Hierboven is gebleken dat hij in het toenmalige Nederlands-Indië is geweest en daar gestorven. Dat geeft de richting aan voor nader onderzoek; de oude archieven van het Ministerie van Koloniënz en eventueel in Nederland aanwezige koloniale archiefbescheiden komen daarvoor in aanmerking. Hij blijkt in 18 18 naar Oost-Indië te zijn vertrokken en zijn levensloop daarna is vrij nauwkeurig te volgen. Het tijdvak 1805-1818 echter is grotendeels een “witte plek”.
Gelukkig beschikken we over een interessant document uit die periode: de overlijdensakte van Batje Fiers.” Op 28 mei 1814 overleed te Rotterdam ten huize van haar vader een meisje, Batje Fiers genaamd, oud 5 jaren en 9 maanden, geboren te Rotterdam en gedomicilieerd te Vlissingen. Volgens de akte was zij een dochter van Floris Pieter Fiers, zonder beroep, en van Alida van der Meij, beiden gedomicilieerd te Vlissingen. De aangifte van overlijden werd gedaan door de vader en een buurman, Johannes Stevenson, 35 jaar oud, houtdraaiersknecht; beiden wonende in de Zonneblomsteeg G 290 in Rotterdam.
Dit lijkt op een louter feitelijke mededeling. De eerste gedachte die opkomt is deze, dat Floris Pieter kennelijk een nieuwe levensgezellin had opgedaan en bij haar een kind verwekt; in mei 1814 woonden zij in Rotterdam, maar werden geacht in Vlissingen thuis te horen. Bij verder onderzoek blijkt de overlijdensakte een mengeling van feiten en verdichtsels te bevatten. In de eerste plaats lijkt de verwijzing naar Vlissingen een mystificatie: ter plaatse is niets te vinden over een verblijf aldaar van de genoemden. Ook andere gegevens wijzen niet in die richting.
Belangrijker is het raadsel van de geboorte van Batje. Op grond van haar leeftijd bij overlijden zou zij in augustus 1808 geboren moeten zijn; volgens de akte vond dat plaats in Rotterdam. Er is echter omstreeks die tijd beslist geen Batje Fiers geregistreerd in enig doopregister in Rotterdam (ook niet in die van Vlissingen trouwens). Daarentegen wel een Batje Kock. Dit meisje werd geboren op 20 augustus 1808 en gereformeerd gedoopt op de 28e d.a.v. Haar vader was Johannes Kock en haar moeder Alida van der Mijden, echtelieden wonende in de Peperstraat E39.
De geboortedatum, de naam van de moeder - zij het incorrect gespeld - en de ongebruikelijke voornaam van de dopelinge, duiden er op dat dit kind wel eens de Batje zou kunnen zijn, wier overlijden op 28 mei 1814 door Floris Pieter Fiers “als vader” werd aangegeven.
Ook het volgende wijst daarop. De officiële ouders van Batje hadden reeds eerder een kind gehad, t.w. Christiaan, gedoopt 6 juli 1806 en jong gestorven. In het doopregister werden die ouders toen vermeld als Johannes Kok en Alida van der Meij, wonende in de Kokersteeg; als doopgetuige trad op Christina Moede. Laatstgenoemde is Alida’s moeder.
Johannes Kok, een smidsknecht, werd in 1810 wegens “dieverij” ten laste van zijn werkgever, door Schepenen tot openbare geseling en verbanning voor 8 jaar uit het Departement Maasland veroordeeld.26 Bij de dood van Batje in 1814 was hij nog verbannen. Kennelijk woonde Floris Pieter Fiers toen samen met de echtgenote van Johannes, Alida van der Meij, en haar dochtertje. Ik meen dat met voldoende recht kan worden geconcludeerd dat Batje Fiers en Batje Kok (of Koek) verschillende namen zijn voor een en hetzelfde meisje.
Waar en wanneer Floris Pieter Fiers en Alida van der Meij elkaar ontmoet hebben, is niet te achterhalen. Ook is niet duidelijk waarom hij zich in 1814 voor Batje’s vader uitgaf. Of sprak de man de zuivere waarheid? Het lijkt er op dat Floris Pieter in de familie- en burenkring van Alida geheel was geaccepteerd. Alida’s zuster en zwager vernoemden hun derde kind naar hem: “Floris Pieter” Voermans, geboren 19 mei 18 15. Zijn status en woonomstandigheden waren zeker niet meer op het niveau waaraan hij in Haarlem gewend was geweest. Hij verkeerde nu te midden van sjouwerlieden, handwerksknechten, schippers e.d. en woonde in een sloppenbuurt. De Zonnebloemsteeg, niet ver van de Grote Kerk, was een smalle straat of gang met pakhuizen en woonpanden, in welke laatste verschillende gezinnenopeengepakt leefden. Drie tot vijf gezinnen met in totaal tien tot twintig personen per huis was normaal. Het merendeel van zijn nieuwe bekenden was op overeenkomstige wijze gehuisvest.
Hoe Floris Pieter en Alida in hun levensonderhoud voorzagen is de vraag; volgens de overlijdensakte van Batje oefende Floris Pieter geen beroep uit. Had Alida wellicht een broodwinning? Voor een man, afkomstig uit een comfortabel burgerlijk milieu, zal op den duur een leven op de rand van pauperdom
weinig aanlokkelijks hebben geboden, al werd dit leven dan gedeeld door Alida van der Meij. Deze vond in de veroordeling van Johannes Kok aanleiding of - misschien juister gezegd - de gelegenheid om zich van haar echtgenoot te laten scheiden. Op 27 juli 1816 werd de echtscheiding uitgesproken.27 Zij was daarna volkomen vrij in haar gaan en staan; een vrijheid die Floris Pieter Fiers zich al eerderhad aangemeten.
Naar Indië
Zoals wel meer personen van redelijk goeden huize maar twijfelachtige deugdzaamheid hadden gedaan, besloot Floris Pieter te trachten in Indië een nieuw bestaan op te bouwen. Dat kon nu weer. Tijdens de Napoleontische oorlogen waren de Nederlandse koloniën in Oost en West onder Brits beheer geweest en vrijwel onbereikbaar voor een gewoon burger uit Holland. Na Napoleon’s definitieve nederlaag, werden de Oostindische koloniën in de loop van 1816 door de Engelsen weer aan Nederland overgedragen.
Samen met Alida van der Meij is Floris Pieter Fiers in 1818 naar Java vertrokken. De overtochtskosten financierde hij, onder belofte van spoedige terugbetaling, met geleend geld. Op het Departement van Koloniën in Den Haag hoorde men voor het eerst van zijn bestaan, toen van de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië bericht werd ontvangen dat deze autoriteit bij zijn besluit van 11 maart 1819 een zekere F.P. Fiers had benoemd tot boekhouder bij de Marine Pakhuizen te Soerabaja. Blijkbaar had Floris Pieter het voornemen om zich, met zijn Alida, in het nieuwe land te scharen in de rij van nette burgers met een gereguleerd bestaan.
Uit de burgerlijke stand van Soerabaja blijkt, dat aldaar op 10 december 1820 zijn getrouwd:
Floris Pieter Fiers, jonkman, 42 jaar oud, geboren te Haarlem, en Alida van der Meij, jonge dochter, 30 jaar oud, geboren te Rotterdam." De burgerlijke autoriteiten in Soerabaja wisten kennelijk niet beter dan dat beiden nooit eerder getrouwd waren geweest. Dit betekent dat Alida haar vorig huwelijk had verzwegen, maar, erger, dat Floris Pieter bigamie pleegde! Echter, wat niet weet dat niet deerten zijn wettige vrouw, Elisabeth Catharina Trioen, ver weg in Holland, wist van niets.
Kort na het nieuwe huwelijk was het vermeende echtpaar getuige bij de doop van een kindje van een bevriende familie. Dit is de laatste “nette” daad die van Floris Pieter Fiers in de archieven te vinden is.
In 1821 werd hij bevorderd tot kommies-boekhouder bij het onderkommissariaat der Marine te Soerabaja en in 1822 nam hij een tijd lang de functie van onderkommissaris waar. Hij had ook te maken met hetgeldelijk beheer van het onderkommissariaat. Floris Pieter Fiers en de nabijheid van andermans geld: dat deed steeds een spanningsveld ontstaan waarin zijn kracht om weerstand te bieden aan de verlokking van snelle verdiensten zeer op de proef werd gesteld en gewoonlijk te kort schoot. Zo ook hier. Tot zijn takenpakket behoorde onder meer de zorg voor de boedels van overleden bemanningsleden van de koloniale vloot. Het bedrag van de zuivere nalatenschap moest hij in ontvangst nemen en verantwoorden, opdat het aan de rechthebbende erfgenamen in Nederland of elders kon worden overgemaakt. In ontvangst nemen deed hij nauwgezet, verantwoorden en afdragen deed hij niet. Deze gewoonte en andere malversaties, in en buiten zijn functie, leidden tot zijn teloorgang. Door de Raad van Justitie te Soerabaja
werd hij schuldig bevonden aan oplichting, wanbeheer en verduistering van gouvernementsgelden,
en bij vonnis van 25 april 1823 veroordeeld tot drieërlei straf: geseling, zes
jaar opsluiting in de gevangenis en na afloop daarvan verbanning uit Indië en opzending
naar Nederland.
Dat was geen kleinigheid! Soerabaja is een van de warmste steden van de archipel.
Vooral in de kentering van oost- tot westmoesson (oktober/november) kan het er
ongemeen drukkend zijn. In de tijd waarvan we spreken, waren de mogelijkheden om de
143
ongemakken van het klimaat het hoofd te bieden nogal primitief en beperkt. Onder
zulke omstandigheden is een verblijf in een - uiteraard ook al primitieve - gevangenis,
dubbel zwaar. Nochtans, Floris Pieter was geenszins een gebroken man en niet van zins
om zich zonder meer in zijn lot te schikken. Hij begon met de rechtmatigheid van het
vonnis te betwisten, als eerste actie in een reeks pogingen om wijziging en verzachting van
zijn straf te bereiken. De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië besliste daarover,
na ingewonnen advies en deliberatie “in Rade”. Diens, beargumenteerde besluiten
welke de gang van zaken goed schetsen, laat ik hieronder in extenso volgen.3l
No. 23, dd. 17 juni 1823. Gelezen een rekwest van
F.P. Fiets, gedetineerde ten gevangenhuize te Soerabaya,
daarbij te kennen gevende dat hij op den 25e
april 1.1. als kommies bij het Haven- en Marine
Departement heeft teregt gestaan voor den Raad van
Justitie te Soerabaya.Dat hij intusschen eerst sedert
dien tijd heeft kennis gekregen van het Crimineel
Wetboek voor het krijgsvolk te water in het vaderland,
gearresteerd den 20 juli 1814 waar in artikel
4 tit. 1 vermeld staat, dat dit Wetboek onder anderen
ook betreft de kommiezen in ‘s-Lands magazijnen
en.voor alle soortgelijke personen geemploijeerd tot
het verrigten van eenig werk of dienst in de voorschreven
magazijnen of tot bewaring of uitdeeling
van goederen aan den Lande toebehoorende, enz. en
dat hij suppliant op grond van dat artikel vermeent
met voor den Raad van Justitie maar voor eenen
Militairen krijgsraad te moeten te regt staan wegens
de hem ten laste gelegde misdaden, mitsdien verzoekende
dat het tegen hem geslagen vonnis als door
eene onbevoegde regtbank gewezen, worde vernietigd,
en dat hij vervolgens ter zake der tegen hem
ingebragte beschuldiging worde verwezen voor een
krijgsraad als zijnen competenten regter.Gezien het
berigt van President en Raden in het Hoog Geregtshof
dd. 11 juni no. 335, daarbij overleggende een
ingewonnen advies van den Procureur Generaal, die
daarbij als zijn gevoelen opgeeft dat de qualiteit
alleen van den Requestrant welligt hem aan de
regtspleging van het krijgsvolk te water zoude onderwerpen,
doch dat aangezien de bij het hierboven
aangehaalde artikel 4 bedoelde personen wegens alle
misdaden vreemd aan hunne administratie voor den
gewonen regter worden geroepen, en de rekwestrant
ook wegens particuliere misdaad en buiten zijne
ambtsbetrekking is gevonnisd, het daarvoor mag
worden gehouden dat, evenzoo als de burgermisdadiger
den militairen medepligtigen voor eene burger
regtbank trekt, de particuliere misdaad ook de officiële
misdaad tot zich trekt, om door een en denzelfden
regter te worden beoordeeld.En verklarende het
Hof zich geenszins met deze stelling te kunnen vereenigen,
aangezien volgens de vigeerende militaire
Wetgeving niet de daad maar de persoon de competentie
des regters bepaalt, zijnde het wijders aan den
Hove voorgekomen dat de kommiezen bij de Haven-
en Marine Departementen, niet genoemd wordende
in het meergemelde artikel 4 eeniglijk te beschouwen
zijn als civiele ambtenaren, en dat de
rekwestrant mitsdien voor zijnen competenten
regter, den Raad van Justitie te Soerabaya is geroepen.
Waarop gedelibereerd En in aanmerking genomen
dat er geene reden is gevonden waarom de
suppliant, in zijne hoedanigheid van kommies bij
het Haven- en Marine Departement te Soerabaya
niet zoude moeten worden beschouwd als civiel
ambtenaar Is goedgevonden en verstaan Het voorschreven
verzoek van F.P. Fiers te declineren en te
wijzen van de hand, zoo als geschiedt bij
deze.Extract dezer zal worden verleend aan het
Hoog Geregtshof en den Rekwestrant tot informatie
en narigt.-32
No. 24, dd. 17 juni 1823. Gelezen een rekwest van
F.P. Fiers, gedetineerde in ‘s-Landsboeijen te Soerabaya,
daarbij verzoekende mitigatie der straf van
geeseling, confinement en bannissement waartoe hij
is verwezen bij vonnis van den Raad van Justitie te
Soerabaya dd. 25 april I.l.Gezien het rapport van
President en Raden van het Hoog Geregtshof van
Neerlands Indië dd. 11 juni no. 336, daarbij als
hunne consideratiën en na ingewonnen berigt van
den Procureur Generaal, opgevende dat noch uit de
processtukken, noch uit de positieven van het
rekwest eenige termen zijn gevonden om tot geheele
of gedeeltelijke remissie der tegen de suppliant gewezene
straf te adviseren.Waarop gedelibereerd, is
goedgevonden en verstaan
Het verzoek van F.P. Fiers om remissie of mitigatie
der straf waartoe hij is verwezen bij vonnis van den
Raad van Justitie te Soerabay, dd. 25 april j.l., te
declineren en te wijzen van de hand, zoo als geschiedt
bij deze.Extract dezer zal worden verleend
aan het Hoog Geregtshof en den Rekwestrant tot
informatie en nar&‘*
Record ID Number: MH:N523
PRIN MH:I397
Note N165vervolg Een ondeugdzaam heer van goeden huize
door P.J. FIERST VAN WIJNANDSBERGEN
No. 47, dd. 23 september 1823. Gelezen de requeste
van Alida van der Meij, huisvrouw van Floris Pieter
Fiers, verzoeken dat dat gedeelte van het vonnis
waarbij haar man is gecondemneerd tot zes jaren
gevangenis, worde gecommuteerd in bannissement
naar een der Muluksche Eilanden.Gezien de consideratiën
en het advies van het Hoog Geregtshof bij
missive van den 8 dezer no. 522, en hierover gedelibereerd
zijnde, is goedgevonden en verstaan het vorenstaande
verzoek te declineren en te wijzen van de
hand.Extract dezer zal worden verleend aan het
Hoog Geregtshof en de requestrante tot informatie
en narigt.“’
144
Hierna bleef het geruime tijd stil. Men kan zich trouwens voorstellen dat het Soerabajaanse
klimaat een gedetineerde van 46 jaar eerder helpt om zich “ingetogen” te
gedragen, dan dat het stimuleert tot langdurig actief verzet. Blijkbaar bleef het gevangenisleven
inderdaad niet zonder invloed op de gezondheid van Floris Pieter. Zijn volgend
verzoekschrift klinkt als een smeekbede.
No. 37, dd. 15 juni 1824. Gelezen de requeste van
Floris Pieter Fiers, gedetineerd in ‘s-Landsboeijen te
Sourabaya, verzoekende dat uit aanmerking van
zijnen diep ongelukkigen toestand, het overige gedeelte
der gevangenisstraf welke hij nog zoude moeten
ondergaan, moge worden veranderd in een bannissement
naar een der meest afgelegene gedeelten
der kolonie.Gezien de consideratiën en het advies
van het Hoog Geregtshof, bij missive van den 11
dezer no. 348
En hierover gedelibereerd, en in aanmerking genomen
zijnde dat de requestrant bij het tegen hem
geslagen vonnis is veroordeeld om na ommekomst
van zijne zesjarige gevangenisstraf uit Z.M. bezittingen
in Indië te worden verbannen en naar Nederland
gezonden Dat mitsdien het verzoek van den requestrant,
zooals hetzelve is liggende, niet kan worden
ingewilligd hoezeer anders de gunstige berigten omtrent
zijn tegenwoordig goed ingetogen en beterschap
belovend gedrag wel eenige termen opleveren
om op dat verzoek gunstig te disponeren Is goedgevonden
en verstaan eerstelijk: aan den requestrant
remissie te verleenen van het overige gedeelte der
gevangenisstraf welke hij krachtens het tegen hem
geslagen vonnis nog zoude moeten ondergaan, blijvende
evenwel de verdere condemnatie tot bannissement
uit Z.M. bezittingen in Indië om naar Nederland
te worden opgezonden in hare volle kracht, met
bepaling voorts dat de requestrant in zijne gevangenis
zal verblijven tot dat er gelegenheid voor zijne
verzending zal zijn; ten tweede: de Hoofddirectie
van Financiën te magtigen om voor de verzending
van den requestrant F.P. Fiers naar Nederland met
den meesten spoed het noodige te verrigten en daarvan
in tijds rapport te doen, ter verdere mededeeling
aan Zijne Excellentie den Minister voor de Koloniën.
Extract dezer zal worden verleend aan het
Hoog Geregtshof, de Hoofddirectie van Financiën,
den Raad van Justitie te Sourabaya en den Requestrant
tot informatie en narigt.jJ
Een humane geste. Floris Pieter had inmiddels ruimschoots langer dan een jaar in de
gevangenis gezeten en zijn lichamelijke gesteldheid droeg daarvan de sporen. Zijn
geestvermogens echter leken onverzwakt gericht op zijn kruis en passie: geld. Daarvan
afstand doen, zelfs als het ging om geld dat hij had verduisterd, druiste tegen zijn natuur
in. Dat blijkt o.m. uit het verzoekschrift dat hij indiende kort nadat hij de voor hem
gunstige beslissing van 15 juni 1824 had ontvangen. De afdoening volgt hieronder.
No. 31, dd. 26 augustus 1824. Gelezen de requeste
van Floris Pieter Fiers, gedetineerde in ‘s-landsboeijen
te Sourabaya, daarbij verzoekende restitutie
van eene som van f.855.75, ingevolge besluit van den
Hoofddirecteur van Financiën dd 2 october j.l., no.
12, door hem in ‘s-lands kas gestort ter vergoeding
van vroeger door hem ontvreemde gouvernementsgelden
tot een gelijk bedrag, en zulks op grond dat de
teruggave dier gelden hem niet is opgelegd bij het
vonnis, op den 25 april 1823 door den Raad van
Justitie te Sourabaya tegen hem gewezen;Gelet op
het besluit van den Gouverneur Generaal, van den 1
october 1823, no. 9, waarbij aan de Hoofddirectie
van Financiën is opgedragen om de in dezen bedoelde
gelden zoo veel mogelijk uit den boedel van
De dood van Fiers
F.P. Fiers ten behoeve van den lande te doen requireren;
En hierover gedelibereerd zijnde, is goedgevonden
en verstaan eerstelijk: het verzoek van den
requestrant om restitutie van de aan ‘s-lands kas
door hem vergoede gelden te declineren en te wijzen
van de hand;ten tweede: de Hoofddirectie van Financiën
met herinnering aan art. 2 der Resolutie van
15 juny j.l. no. 37, aan te schrijven om van de
tegenwoordige Oostmousson gebruik te maken, teneinde
den persoon van F.P. Fiers, thans gedetineerd
in ‘s-landsboeijen te Sourabaya naar Batavia te doen
overkomen om verder naar Nederland te worden
opgezonden.Extract dezer zal worden verleend aan
de Hoofddirectie van Financiën en den requestrant
tot informatie en narigt.“
Het leek er op dat de G.G. en de Raad van Indië “de persoon van F.P. Fiers” zo
langzamerhand wel “kwijt” wilden. Het einde kwam overigens kort daarop in Batavia.
Er is een bericht dat aldaar op 1 november 1824 is overleden een J. Fiers.36 Hoogstwaarschijnlijk
had de naam moeten luiden: F.P. Fiers. Vast staat dat enkele maanden later,
t.w. 20 februari 1825 eveneens in Batavia, het huwelijk werd gesloten van Alida van der
145
Meij, weduwe van Floris Pieter Fiers, met Coenraad Ludwig Weiss, j.m. van Göttingen.
31, 38
Wat wist men in Nederland af van de verwikkelingen rond leven en dood van Floris
Pieter Fiers in Oost-Indië? De naaste familieleden hadden in 1827 nog geen idee waar
hun man en vader zich ophield. Zie het huwelijksconsentzO ter gelegenheid van het
huwelijk van de oudste zoon. Ook bij het Ministerie van Koloniën wist men weinig of
niets. Indertijd, in 1819, had de Gouverneur Generaal van Nederlandsch Indië laten
weten, dat hij een zekere F.P. Fiers had benoemd tot boekhouder bij de Marine
Pakhuizen in Soerabaja.28 Naar aanleiding daarvan was deze nieuwe ambtenaar ingeschreven
in het “Stamboek der Oost-Indische Ambtenaren”.39 Voorts had men zijn
bevordering tot kommies-boekhouder bij de onderkommissaris der Marine te Soerabaja
nog aangetroffen in een of andere nominatieve opgave over 1821 en in het Stamboek
bijgeschreven. Voor het overige was zijn folio in dat boek leeg gebleven.
Daarin kwam eerst verandering toen in mei 1826 inlichtingen werden gevraagd over de 2e
stuurman der Koloniale Marine J.A.J. Krieger, 4o door diens familie in Nederland. De
Minister van Koloniën richtte zich ter zake tot het Indische Gouvernement en ontving het
volgende antwoord:
Aan Zijne Excellentie den Minister.
(per Mary en Hillegonde, Kapt. Platence)
No. 168 Batavia, den 11 July 1827
Ter voldoening aan het door Uwe Excellentie mij bij missive van den 3 Mei 1826 No.54/141 te kennen
gegeven verlangen, heb ik de eer haar mede te deelen dat volgens bij mij ingekomen berigten, de in voorschr.
missive bedoelde 2e Stuurman J.A.J. Krieger werkelijk overleden is, en dat het rendement van deszelfs
nalatenschap, hetwelk zuiver f.279,16 heeft bedragen door den destijds fungerend Onderkommissaris der
Marine Fiers ontvangen, doch onder meer anderen nimmer verantwoord is geworden, zijnde de laatstgenoemde
sedert ter zake van zijne verkeerde administratie door den Raad van Justitie te Soerabaya tot
schavotstraf gecondemneerd en insolvent overleden.
De Luitenant Gouverneur Generaal
over Nederlandsch Indië
Bij afwezendheid
De Raad van Indië
Chassé
De behandeling van deze brief ten departemente gaf aanleiding tot een ambtelijke
gedachtenwisseling, die in de marge van een concept voor de afdoening werd gevoerd.
De eerst behandelend ambtenaar schreef daar met potlood:
Het komt mij voor dat in zoodanige gevallen het Gouvt. verpligt is, om voor deszelfs ontrouwe administrateuren
te betalen.
Een hoger geplaatste - waarschijnlijk de minister - schreef daaronder:
Met het bovenstaande gevoelen kan ik mij zoo onvoorwaardelijk niet vereenigen. Mij is ook niet klaar, op
welke wijze en gronden deze Fiers die nalatenschap onder zich gekregen heeft. Ik geloof niet in officiële hulp.
De eerste ambtenaar legde toen uit:
Uit krachte van het reglement op de bereddering der boedels van overleden zeevarenden. Ik maak de
bedenking slechts “in voorraad”, omdat de belanghebbende op deze mededeeling welligt nader zal komen
reclameren.41
146
147
Die belanghebbende werd vervolgens bij brief van 20 november 1827 over het sterven
van zijn familielid en het gebeurde met diens nalatenschap ingelicht, maar vond daarin
blijkbaar geen aanleiding om te “reclameren”. In de ministeriële correspondentieklappers
heb ik er althans niets over gevonden.
Het “Stamboek Oost Indische Ambtenaren” kon nu ten aanzien van Floris Pieter Fiers
worden afgesloten met de aantekening van zijn overlijden. Het tijdstip daarvan was niet
bekend, althans door de Gouverneur Generaal niet vermeld, wel de omstandigheden
waaronder. Ook de familie zou desgewenst ingelicht kunnen worden. Zoals hiervoor
reeds opgemerkt, gaf de Minister op 20 oktober 1828 een formele verklaring af,
houdende de mededeling dat Floris Pieter Fiers, laatstelijk fungerend onderkommissaris
der Marine in Soerabaja, in Nederlands Indië was overleden. Verdere bijzonderheden
waren achterwege gelaten. Een kies gesteld document derhalve; de gevoelens van de
familie werden niet nodeloos gekwetst. Wie om de verklaring van overlijden heeft
gevraagd, heb ik niet kunnen traceren. Wel, dat dit document bij het huwelijk van Floris
Pieter’s tweede zoon, Jan Izack Fiers, te Den Haag op 12 augustus 1829 aan de
Burgerlijke Stand is overgelegd.22
Het is geheel in stijl met het leven van Floris Pieter, dat na zijn dood, het laatste woord in
zijn geschiedenis door een schuldeiser werd geschreven. Een voormalig winkelier uit
Hellevoetsluis, Cornelis Klop, had hem in 18 17 goederen geleverd en geld voorgeschoten
tot een bedrag van f.416,- en daarvoor een schuldbekentenis ontvangen, afgegeven te
Rotterdam 31 oktober 1817. Floris Pieter beloofde in dat geschrift o.m. zijn schuld ten
spoedigste na het bekomen van een post te zullen voldoen, vermeerderd met een rente
van 5% ‘s-jaars. Daar is niets van gekomen. Na een vergeefse poging van Klop, in 1822,
om zijn vordering voldaan te krijgen door korting op het traktement van Floris Pieter
Fiers en na het schrijven van een paar onbeantwoorde brieven naar Soerabaja in de jaren
daarna, werd hem tenslotte, n.a.v. een nieuw verzoek zijnerzijds, op 18 november 1830
door de Minister van Koloniën meegedeeld dat zijn schuldenaar insolvent was overleden
en dat diens weduwe, die later met een onderofficier was gehuwd en naar de Westkust
van Sumatra vertrokken, derhalve niets van hem geërfd had.42
De nabestaanden
Hoe is het de naaste familieleden verder vergaan? Elisabeth Catharina Trioen, de eerste
en wettige weduwe van F.P. Fiers, werd op 25 oktober 1830 in Den Haag als nieuwe
ingezetene ingeschreven, afkomstig van Lisse. Zij stierf ten huize van haar zoon Jan
Izack Fiers aan de Prinsegracht op 25 december 1843, 66 jaar oud.43
*,* Heden overleed, am de gevolgea eener Slijmberoercc,
in den ouderdom vy 66 jaren, onze geliefdc Moejer en Be-
FRyt¶;der ELISAUE TH CATt1ARLN$ yliRSR, ‘feb.
. .
‘sGHAVENHAGE, E ! i . C. F 1 E R 5,
25 December 1843. ’ Geb. HEULE.
148
De beide zonen hebben hun vader nimmer gekend. We moeten hopen dat zijn ware aard
en kwalijke praktijken voor hen verborgen zijn gebleven. Uiteraard zal zijn verdwijning
in hun prille jeugd, de geruchten of juist het stilzwijgen daarover en in het algemeen hun
leven daarna als kinderen van een vader, die hun moeder en hen in de steek had gelaten,
niet geheel zonder invloed zijn geweest op hun jonge gemoed. In hun later leven is
daarvan overigens weinig te merken, althans niet in hun maatschappelijke loopbanen,
tenzij het feit dat zij die beiden buiten hun geboorteplaats Haarlem hebben gezocht.
De oudste zoon, zich noemende en schrijvende Pieter Fiers Smeding, verbleef van
medio 1827 tot medio 1849 in Paramaribo, waar hij een succesvolle loopbaan bij de
rechterlijke macht van Suriname afsloot als President van het Gerechtshof aldaar. Na
nog twee jaar op het Ministerie van Koloniën in Den Haag gedetacheerd geweest te zijn,
ter bewerking van de Nederlandse wetboeken voor de West-Indische koloniën, werd hij,
op zijn verzoek, m.i.v. 1 april 1852 in het genot van pensioen gesteld. Hij overleed te Velp
op 16 september 1859. Hij is tweemaal getrouwd geweest. De eerste keer te Amsterdam
op 23 maart 1827 met Maria Johanna Verwaijen.i9s 2o
Zij woonde toen aan de Keizersgracht aldaar maar was geboren in mei 1790 in (het
tegenwoordige) Georgetown, Guyana, waar zij op 30 september 1836 ook overleden is.44
Het huwelijk bleef kinderloos, maar het echtpaar heeft wel een zoon geadopteerd.45
Tijdens een verlofperiode in Nederland, hertrouwde Mr. Pieter Fiers Smeding te
Haarlem op 26 mei 1842 met Barendina Jacoba van der Vlugt, geboren aldaar 9
augustus 1813 en gestorven 23 september 1893.46 Zij was een dochter van Bartel Willem
van der Vlugt en Hermina Pluijm. 47 Het enig kind van Pieter en Barendina Jacoba, een
dochter genaamd Hermina Elisabeth Fiers Smeding, werd geboren te Paramaribo op 25
april 1843 en is 6 maart 1917 te Hilversum overleden.‘@
De tweede zoon van Floris Pieter Fiers, Jan Izack, heeft zich al betrekkelijk jong in Den
Haag gevestigd als apotheker. Hij huwde aldaar op 12 augustus 1829 met Christina
Henriëtta Carolina Heule, geboren Schiedam 8 oktober 1808.2’a 22
Hij is in Den Haag gestorven op 23 december 1881, en zij op 18 januari 1885. Hun vijf
kinderen zijn allen in Den Haag geboren en daar ook, zonder nakomelingschap,
overleden.49
Alida van der Meij is in Oost-Indië gebleven. Nadat zij haar derde echtgenoot, Conrad
Ludwig Weiss38, eind 1829 had verloren, trouwde zij te Batavia op 30 juli 1831 haar
vierde. Dat was de belastingambtenaar Hendrik Willem Hofmeester, geboren te Rotterdam
3 februari 1 805.50 Hij heeft op wisselende standplaatsen in de archipel gediend: aan
te nemen valt dat zijn vrouw hem daarbij steeds heeft vergezeld. Op 9 mei 1850 werd hij
eervol uit ‘s-lands dienst ontslagen onder toekenning van pensioen en 9 juni 1852 is hij in
Batavia gestorven.51 Alida van der Meij volgde hem op 27 november 1855.52
Nawoord en verantwoording
Dit klassiek verhaal over een zwart schaap uit een overigens keurige familie, is een
reconstructie aan de hand van openbare archiefstukken, hier en daar aangevuld met
gegevens uit andere openbare bron. Floris Pieter Fiers behoorde tot de negende generatie
van een Haarlems geslacht waarvan de stamvader, Chrispijn Outgertzn Fiers uit Tielt in
Vlaanderen, zich omstreeks 1580 met vrouw en kinderen in Noord-Nederland heeft
gevestigd. Het is de familie niet slecht gegaan. Floris Pieter werd dan ook geboren als telg
van gezeten burgers en kende, althans in materiële zin, een onbezorgde jeugd. Het heeft
hem niet belet om van zijn leven een complete chaos te maken. Reeds op 26-jarige leeftijd
liet hij zijn jonge gezin in Haarlem in de steek, kennelijk op de loop voor schuldeisers.
149
Het is jammer dat er in zijn geschiedenis een hiaat van bijna tien jaar is gebleven.
Evenmin als indertijd zijn naaste familieleden, heb ik kunnen achterhalen waar Floris
Pieter Fiers is heen gegaan en wat hij gedaan heeft in de eerste jaren na zijn verdwijning
in 1804. Afgezien van een vermoedelijk kort verblijf datzelfde jaar in Dordrecht en
‘s-Hertogenbosch, is hij spoorloos gebleven tot zijn naam teruggevonden werd in een
archiefstuk uit 1814 in Rotterdam. De tussenliggende periode zal, misschien wel misschien
niet, nog kunnen worden ingevuld na veel tijd vergend verder onderzoek.
Aangezien hij echter eerder reden had om zijn handel en wandel ietwat te versluieren,
dan deze openlijk te etaleren, denk ik dat alleen een toevalstreffer tot meer informatie zal
kunnen leiden.
Zijn teloorgang was wel volledig. Begonnen als een kansrijke jongere uit een goed
milieu, eindigde hij zijn leven als een koloniale gevangenisboef.
Alida van der Meij, in moderne terminologie: een kansarm meisje uit een Rotterdamse
volksbuurt, heeft meer van haar leven weten te maken dan Floris Pieter Fiers. Haar
sociale evolutie - als dat zo genoemd mag worden - is aan haar opvolgende huwelijken af
te lezen. Eerst getrouwd met een gelegenheidsdief uit haar buurt, daarna met een mislukt
heer die betere dagen had gekend en een oplichter bleek te zijn, vervolgens met een Duits
onderofficier uit het Oostindische leger en tenslotte met een belastingambtenaar van
middenniveau. Als diens weduwe zal zij in de toenmalige Indische samenleving ongetwijfeld
van een comfortabele en respectabele levensavond hebben kunnen genieten, na haar
afwisselend en soms enerverend bestaan.
Elisabeth Catharina Trioen en haar beide kinderen hebben het gebruikelijke netburgerlijke
levenspatroon van de familie ongewijzigd voortgezet, evenals de hen volgende
generatie. In 1917 is deze tak van het geslacht uitgestorven.
Noten
1. Pieter Fiets, ged. Haarlem 17 okt. 1753, t ald.
10 febr. 1781 trouwt ald. 12 dec. 1773 Alida Johanna
Telvooren, ged. ald. 13 mrt. 1750. Pieter
Fiers was een zoon van Martinus Fiers, ged. Haarlem
22 febr. 1716, T ald. 17 juni 1782, tr. Amsterdam
1 dec. 1737 Catharina Haringkarspel, ged. Amsterdam
2 okt. 1718, t Haarlem 9 nov. 1786.
2. Martinus Fiers was van 1731-1775 postdirecteur
van Haarlem, zijn zoon Pieter van 17751781.
Na diens vroege dood heeft Martinus het ambt wederom
bekleed tot zijn overlijden op 17 juni 1782.
Zijn weduwe heeft daarna het kantoor waargenomen
tot 1 okt. 1782, m.i.v. welke datum Mr. D.
Donker van der Hoff tot zijn opvolger werd benoemd.
Verg. W. Kroon, Het Haarlemse Postwezen
(z.pl., 1950), uit de reeks geschiedkundige uitgaven
van de P.T.T.
3. Jacob Nicolaas Elout, ged. Haarlem 23 maart
1740, begr. ald. 23 juni 1790, tr. le Rotterdam 13
mei 1764 Maria Ham, ged. ald. 1 maart 1742, begr.
Haarlem 4 febr. 1785, tr. 2e ald. 2 febr. 1790 Alida
Johanna Telvooren, wed, Pieter Fiers. Jacob Nicolaas
was een zoon van Cornelis Elout, ged. Haarlem
14maart 1714, begr. ald. 9 nov. 1779, tr. ald. 24 juni
1738 MariaCorneliavan Wijnants, ged. Haarlem 24
juli 1705, begr. ald. 13 jan. 1759.
4. Izack Trioen, geb. Haarlem 15 okt. 1740, tald.
27 april 1785, tr. ald. 8 juli 1766 Sara Smeding, geb.
Haarlem 21 juli 1738, t ald. 20 april 1805. Izack
Trioen was een zoon van Jan Trioen, geb. Haarlem
24 dec. 1703, -t ald. 27 juni 1764, tr. ald. 3 okt. 1734
Elizabeth Enschede, geb. ald. 16 okt. 1713, t ald. 6
maart 1759. Sara Smedine was een dochter van
Petrus Smeding, ged. ald. 11 juni 1700, t ald. 18
okt. 1780, tr. 2e ald. 22 juni 1732 Petronella Hoorn,
geb. Amsterdam, t Haarlem 27 mei 1790.
5. Volgens een artikel van W.P.J. Overmeer in
Algemeen Nederlandsch Familieblad (1905) 19-20,
waren in de 18e eeuw o.m. de volgende personen
apotheker te Haarlem: a. Joan Trioen van 1685-
1721 (van 1680-1721 tevens chirurgijn), zijn zoon
Jan Trioen van 1728-1764, diens zoon Izack van
17641801 (van 1789af de wed. IzackTrioen = Sara
Smeding); b. Petrus Smeding van 1680-1724 (van
1717 af de wed. Smeding), hun zoon Petrus Smeding,
Sara’s vader, van 1724-1780.
6. Gemeentearchief Haarlem (hierna: GAH), notaris
Gerrit Kok Junior, huwelijkscontract Fiers/
Trioen Haarlem 12 juli 1798.
7. GAH, notaris Johannes Petrus Kuenen, mutueel
testament Floris Pieter Fiers en Elis. Cath.
Trioen, Haarlem 8 aug. 1801.
150
8. GAH, notaris Johannes Petrus Kuenen, verklaringen
van Alida Johanna Telvooren en Sara
Smedinn, Haarlem 8 aug. 1801.
9. GÄH, notaris Johannes Petrus Kuenen, procuratie
van Floris Pieter Fiers aan Joannes Matheus
Guepin, Haarlem 22 juli 1803.
10. GAH, notaris Johannes Petrus Kuenen, obligatie
van Alida Johanna Telvooren aan Floris Pieter
Fiers, Haarlem 6 april 1804.
ll. Gemeentearchief Dordrecht, notaris Jeremias
van Laren, generale constitutie van Floris Pieter
Fiers aan de notaris en procureur Willem Arnoldus
Haselaar te Haarlem, Dordrecht 9 april 1804.
12. GAH, notaris Willem Arnoldus Haselaar.
testament fideï commis van Sara Smeding, weduwe,
geïnstitueerde erfgenameen boedelhoudster van wijlen
lzack Trioen, te Haarlem 21 april 1804.
13. GAH, bij codicil van 22 april 1804 werden tot
executeuren van vorenstaand testament benoemd:
Pieter Crock, secretaris van Haarlem, Joh. Petr.
Kuenen, notaris, Arend van Rossum, wijnkoper en
W. Am. Haselaar, notaris.
14. Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch, notaris Leendert
Cornelis van de Ven, speciale constitutie van
Floris Pieter Fiers aan de nor. en proc. Willem Arnoldus
Haselaar te Haarlem, ‘s-Hertogenbosch 8
juni 1804.
15. GAH, rechterlijke archieven, invnr. 101.2,
matrimonieel register no. 5.
16. GAH, notaris Joh. Petrus Kuenen, akte van
separatie Fiers/Trioen, Haarlem 21 juli 1804.
17. GAH, rechterlijke archieven,.inv.nr. 100.3,
matrimoniële rolle.
18. GAH, notaris Willem Arnoldus Haselaar,
testament van Elisabeth Catharina Trioen, Haarlem
12 dec. 1804.
19. Gemeentelijke archiefdienst Amsterdam, huweliiksakte
Fiers/Verwaiien. no. 1-65. Amsterdam
23 maart
_
1827.
20. RA Noord-Holland, huwelijksbijlagen bij
akte no. 1-65, Amsterdam 23 maart 1827.
21, GA ‘s-Gravenhage, huwelijksakte Fiers/
Heule, no. 238, ‘s-Gravenhage 12 aug. 1829.
22. GA ‘s-Gravenhage, huwelijksbijlagen bij akte
no. 238, ‘s-Gravenhage 12 aug. 1829.
23. Het ambtsgebied van de betreffende Minister
en daarmee de naam van diens Ministerie zijn in de
besproken periode enkele malen gewijzigd. In dit
stuk is verder steeds aangehouden: Minister c.q.
Ministerie van Koloniën.
24. Gemeentearchief Rotterdam, Overlijdensakte
no. 1306 Rotterdam 31 mei 1814.
25. Alida van der Meij, geref. ged. Rotterdam 1
jan 1786, was een dochter van Klaas van der Meij
(ook Van der Mij, Van der Mijij) en Christina Mode
(ook Moede. Moedie). echtelieden, gehuwd Rotterdam
12 aug. 1783, wonende Op de-Zijl. Johannes
Kok (ook Koek),.. g-edoopt Delfshaven 14 mrt. 1784.
was een zoon van Antoni Kok en Catharina van der
Houwen. Alida en Johannes trouwden op 30 sept.
1804 voor schout en schepenen in het Ambacht
Cool.
26. Gemeentearchief Rotterdam, archief schepenen,
inv.nr. 264, crimineel sententieboek, 20 juni
1810.
27. Gemeentearchief Rotterdam, archief
Rechtbank Rotterdam, inv.nr. 119, request Alida
van der Meij 29 mei 1816; echtscheidingsakte Rotterdam
3 aug. 1816.
28. Algemeen Rijksarchief ‘s-Gravenhage (hierna
 :ARA), archief van het Ministerie van Koloniën
1814-1849 (2.10.01), inv.nr. 2770, resolutie van de
Gouv. Gen. van Ned. Indië in Rade.
29. Centraal Bureau voor Genealogie, collectie
Blois van Treslong Prins (voormalig landsarchivaris
te Batavia), B.S. Soerabaja 61 no. 41,1-8.
30. Centraal Bureau voor Genealogie, uit de Collectie
Blois van Treslong Prins, Fam. fo. 609.
31. ARA, Het “Register der Handelingen en
Resolutiën van den Gouverneur Generaal van Nederlandsch-
lndie, in Rade” (d.w.z. besluiten van de
G.G. genomen in de vergadering van de Raad van
Indië)% te vinden in hetArchief van het Min. van
Kol. 1814-1849 (2.10.01). In de betreffende periode
was Gouvern. Generaal G.A.G.Ph. Baron van der
Capellen; hij werd in zijn besluitvorming bijgestaan
door de Luit. Gouv. Gen. H.M. de Koek en de
Raden van Indië: P.Th. Chassé, Mr. H.W. Muntinghe,
Mr. H.J. van der Graaff en R. Dozy.
32. ARA, Archief Koloniën 1814-1849 (2.10.01),
res. G.G.v.N.I., invnr. 2778.
33. Ibidem, inv.nr. 2779.
34. Ibidem, inv.nr. 2783.
35. Ibidem, inv.nr. 2784.
36. Almanak van Ned. Indië (1825) 178. In de
Almanakken van 1821,1822 en 1823, afgesloten per
31 dec. van het voorafgaand jaar, wordt F.P. Fiers
vermeld als inwoner van Soerabaja en kommiesboekhouder
aldaar.
37. Centraal Bureau voor Genealogie, collectie
Blois van Treslong Prins, B.S. Batavia 239 no. 7.
38. Conrad Ludwig Weiss, geb. Göttingen 9 sept.
1795; 1813 Hannoverse huzaren, 1814 gepasporteerd;
1815 Hannoverse jagers, 1816gepasp.; 7 okt.
1818 aangenomen voor Oost-Indië voor de tijd van 8
jaar, kanonnier. Dept-Bat. voor de Koloniën no. 33
Harderwijk; op 1 maart 1819 uitgevaren met het
schip Cornelia Sara uit Helvoet; bevorderd tot sergeant-
majoor (niet bekend wanneer, maar vermoedelijk
voor 1825); op 29 dec. 1829 te Magelang
overleden. Uit: ARA, arch. kol. 1814-1849
(2.10.01). invnr. 4074, stamboek onderofficieren en
manschappen van de Suppletie Troepen voor Oost-
Indië, fol 482.
39. ARA, arch. kol. 1814-1849 (2.10.05), inv.nr.
3091, stamboek Oost-Indische ambtenaren, fol.
426.
40. Johannes Andreas Jacob Krieger, geb. te Amsterdam.
Op 15 febr. 1820 uit Hellevoet uitgevaren
met het schip Wilhelmina. Overleden (voor apr.
1823). Uit: ARA, arch. kol. 1814-1849 (2.10.01)
inv.nr. 4169, register zeevarende manschappen
1820.1824.
41. ARA, arch. kol. 1814-1849 (2.10.01), inv.nr.
588, verbaal 20 nov. 1827, no. 45.
42. ARA, arch. kol. 1814-1849 (2.10.01) inv.nr.
322 en 777, verbaal 22 juli 1822 no. 33/6 en verbaal
18 nov. 1830 no. 21.
151
43. GA ‘s-Gravenhage, overlijdensakte no. 1960
‘s-Gravenhage 27 dec. 1843.
44. Maria Johanna Verwaiien was een dochter
van Jean Verwaijen, Med.Dr. en Urselle Virber.
Bliikens haar doopcedule werd zii, circa anderhalve
maand oud, op 22 juni 1790 te-Stobrok gedoopt
door een oud-pastoor en apostolisch zendeling van
het eiland Martinique. Bij de Burgerlijke Stand van
Amsterdam ontstond hierdoor het misverstand dat
zij op dit Franse eiland geboren zou zijn en zo werd
het vermeld in de huwelij ksakte (zie noot 20). In feite
is “Stobrok” een verfransing van de naam “Stabroek”,
de toenmalige hoofdplaats van Demerara,
een kolonie die afwisselend in Nederlandse en Engelse
handen is geweest, met een kort Frans intermezzo.
In 1812 werd de plaats definitief omgedoopt
in Georgetown. Verg. P.M. Netscher, Geschiedenis
van de kolonië Essequibo, Demerary en Berbice (‘s-
Gravenhage, 1888).
45. Dit was George Lodewijk Mens, geboren te
Georgetown 18 juli 1831, zoon van Johan Bernard
Mens, ged. Amsterdam 9 juli 1789, t Georgetown
od. 1849 en Johanna Jacobs Eggers, t Georgetown
1832, getrouwd te Paramaribo 2 sept. 1821. George
Lodewijk Mens, al heel jong George Louis Mens
Fiers Smeding genoemd studeerde voor arts te Leiden
en vestigde zich daarna in Soerabaja, waar hij
eerste stadsgeneesheer werd. Hij is de stamvader van
het geslacht Mens Fiers Smeding, dat al weer generaties
lang in Nederland gevestigd is. De adoptie blijkt
uit het testament dat Maria Johanna Verwaijen op
28 sept. 1836, kort voor haar dood, liet opmaken in
Brits Guyana (ARA, archief Suriname na 1828
(1.05.11), oud notarieel, invnr. 107) en uit het testament
van Mr. Pieter Fiers Smeding voor notaris A.
Walaardt Sacré, Haarlem 18 nov. 1841 (GAH).
Verg. voorts het Dossier Mens en de familie-annonces
t.n.v. Mens Fiers Smedine bii het Centraal Bureau
voor Genealogie.
46. Rijksarchief in Noord-Holland, huwelijksakte
Fiers (Smeding)/Van der Vlugt, no. 57, Haarlem
26 mei 1842 en de huweliiksbii_lag-en.
47. Verg. D.F. Goudriaan, ‘Van der Vlugt, uit de
grutten in de effecten’, Gens Nostra (1978), 112/
120.
48. Hermina Elisabeth Fiers Smeding trouwde te
Haarlem 13 april 1871 met Karel Zegers Veeckens,
geb. Breda 8 maart 1839, ritmeester, t Haarlem 19
dec. 1897; uit dit huwelijk twee dochters. Nederland’s
Patriciaat (1920), 295.
49. 1. Catharina Wilhelmina Fiers, geb. 9 juli
1830, t 23 juli 1893; 2. Johanna Maria Fiers, geb. 22
dec. 1831, t 20 jan. 1892; 3. Jacoba Gerardina Fiers,
geb. 18 dec. 1832, t 1 jan. 1833; 4. Jacobus Gerardus
Fiers, geb. 18 nov. 1833, t 13 jan. 1858; 5. Jan
Hendrik Fiers, geb. 2 jan. 1844, t 18 maart 1894.
Jan Hendrik Fiers is de enige die gehuwd is aeweest.
Hij trouwde op 11 mei 1875 te Utrecht met-Wilhelmina
Willebrorda van Roiien, geb. Utrecht 7 nov.
1839. Het huwelijk bleef kinderloos. (Bron: Burgerlijke
stand ‘s-Gravenhage en familie-annonces t.n.v.
Fiers bij het Centraal Bureau voor Genealogie).
50. Almanak van Ned. Indië (1832) 200 en Gemeentearchief
Rotterdam, doopregisters Lutherse
kerk.
51. ARA, arch. kol. 1814-1849 (2.10.05), inv.nr.
3095, stamboek Oost-Indische Ambtenaren, blz.
212.
52. Javasche Courant (1856) no. 7.
152
Record ID Number: MH:N524
PRIN MH:I397
Note N166Een ondeugdzaam heer van goeden huize (11)
door P.J. FIERST VAN WIJNANDSBERGEN
Inleiding
Mijn artikel “Een ondeugdzaam heer van goeden huize”, verschenen in dit Jaarboek in 1988, behelsde het levensverhaal van Floris Pieter Fiers (1777-1824) zoals ik dat had gereconstrueerd aan de hand van openbare archiefstukken. In dit verhaal was echter een hiaat gebleven van ongeveer tien jaar. Ik schreef daarover toen: “Die periode zal, misschien wel misschien niet, nog kunnen worden ingevuld na veel tijd vergend verder onderzoek. Aangezien hij echter eerder reden had omzijn handel en wandel ietwat te versluieren, dan deze openlijk te etaleren, denk ik dat alleen een toevalstreffer tot meer informatie zal kunnen leiden."
Welnu, die toevalstreffer is gescoord! De marinehistoricus schout-bij-nacht tit. b.d. M.J.C. Klaassen schreef op 23 mei 1989 aan het Centraal Bureau voor Genealogie, dat in zijn zeer uitgebreide documentatie over marineofficieren Floris Pieter Fiers voorkomt en vermeldde in een bijlage de hem over de betrokkene bekende gegevens. Deze betreffen de periode april 1805 tot april 1814, waarin Fiers dienst deed als schrijver en later als magazijnmeester aan boord van Nederlandse oorlogs- schepen. De heer Klaassen verwees daarbij naar het “Stamboek Marine-officieren voor 1850”, aanwezig in het Algemeen Rijksarchief te ‘s-Gravenhage.
Hoe heb ik dat kunnen missen? Mijn artikel werd in de eerste maanden van 1988 geschreven, maar Floris Pieter Fiers was toen al jaren een oude bekende voor mij. In feite was zijn naam de eerste welke ik tegenkwam, toen ik medio 1981 met mijn genealogisch onderzoek begon. Zoals vele beginners raadpleegde ik toentertijd het Genealogisch Repertorium van E.A. van Beresteijn, waarin ik een verwijzing vond naar het Algemeen Nederlandsch Familieblad 1905. In de rubriek “Vragen en Antwoorden” op blz. 96 stond het volgende:
Floris Pieter Fiers, geboren te Haarlem 15-12-1777, sterft te Soerabaja den . . . ...1826. hij was te Haarlem gehuwd 18-7-1798 met Elizabeth Catharina Trioen, geboren te Haarlem 20-08-1777, sterft te ‘s-Gravenhage 25-12-1843, dochter van Izaack Trioen en Sara Smeding. De voorouders van Floris Pieter Fiers, alsmede inlichtingen betreffende hunne afstammelingen worden beleefd verzocht. M.”
Voor mij was dat een interessante vraag van “M”, waarop destijds overigens geen antwoord is gekomen.
Aangezien het toentertijd mijn eerste opzet was, om zo snel mogelijk een globaal overzicht te verkrijgen van al degenen die in Nederland de naam Fiers hadden gedragen, heb ik Floris Pieter voorlopig gelaten voor wat hij was, en mij geruime tijd bezig gehouden met het raadplegen van indices en registers van genealogische tijdschriften, jaarboeken, collecties enz. op zoek naar vermeldingen van Fiersgenaamden. Ook zocht ik in de alfabetische klappers op de stamboeken van overheidspersoneel in de verschillende departementen, aanwezig in het Algemeen Rijksarchief. Ik vond daarbij een aantal
Fiersen, maar de enige keer dat ik de naam Floris Pieter Fiers aantrof, was in de klapper op het Stamboek van de Oost-Indische Ambtenaren 1814-1836. Dat leidde mij destijds tot de conclusie dat hij kennelijk niet bij de marine, bij de landmacht, of als burgerambtenaar in Nederland had gediend. Voorbarig, want wat blijkt nu? De klapper,2 welke de namen bevat van degenen die voorkomen in het “Stamboek Marine-officieren voor 1850”, is alfabetisch geordend....op een klein aantal namen na dat achterin werd opgenomen. Die “nadruppelingen” zijn door mij toentertijd over het hoofd gezien; daarbij was ook de naam van Floris Pieter Fiers. Een onachtzaamheid in 1981 speelde mij parten in 1988!
Overigens komen over deze marineman in het betreffende stamboek niet de gegevens voor die men in een stamboek mag verwachten, maar alleen een tweetal verzoekschriften van zijn hand om herplaatsing bijde zeedienst, vergezeld van enkele attesten en gedateerd in april 1814.3 Dit zette mij op het spoor naar verder onderzoek in het Archief van het Ministerie van Marine 1813-1928, waardoor ik in staat was de maritieme loopbaan van Floris Pieter Fiers, door de heer Klaassen geschetst van april 1805 tot april 1814, te vervolgen voor de periode daarna tot vrijwel het tijdstip dat Fiers als burger in 1818 naar Java is vertrokken. Daarmede is het hiaat, dat ik in mijn oorspronkelijk artikel signaleerde,
opgevuld en kan ook nog enige verduidelijking gegeven worden bij enkele passages uit dat artikel.
Naar zee
Wat kon in die tijd een man doen die tot over zijn oren in de schulden stak en zijn vrouw en jonge kinderen in de steek had gelaten? Hij kon zijn schepen achter zich verbranden en op een echt schip wegvaren. Althans, Floris Pieter Fiers deed dat. Nadat hij in de eerste helft van 1804 uit zijn woonplaats Haarlem was verdwenen, heeft hij nog enige tijd in het land gezworven. Daarna verkreeg hij een aanstelling op de vloot van de Bataafsche Republiek; op 5 april 1805 werd hij door de Raad der Marine als tweede schrijver geplaatst aan boord van het Fregat Gelderland.
Schrijvers en victualiemeesters aan boord van ‘s-lands oorlogsbodems werden tot het korps zeeofficieren gerekend; zij waren de voorlopers van de officieren van administraties.
De volgende gegevens over de ervaringen van Fiers danken wij aan schout-bij-nacht Klaassen:
05-04-1805 tweede schrijver bij de Marine;
25-08-1805 vertrek rede Texel aan boord fregat Orpheus als kartelschip met Engelse krijgsgevangenen naar Sheerness;
1805 aankomst rede Texel:
08-10-1806 naam fregat gewijzigd in Gelderland
05-03-1808 vertrek rede Texel benoorden Schotland en via de kust van Guinea naar Oost-Indië met dringend nodige behoeften voor Java;
09-03-1808 lekkages ontdekt;
14-03-1808 aankomst Bergen (Noorwegen), vandaar naar Rootholm en terug naar Bergen, alwaar gerepareerd;
04-05-1808 vertrek uit Bergen;
19-05-1808 op de Atlantische Oceaan ter hoogte van Kaap Finisterre vergeefs getracht (ingevolge opdracht) een Engels fregat te ontzeilen, 21.00 gevecht met het Engels fregat Virginie, 22.30 einde van het gevecht; gesneuveld 14 man, gewond 51 man, van wie 11 overlijden; de Gelderland zwaar beschadigd, zodat het schip aan de Engelsen moet worden overgegeven;
20-05-1808 de Gelderland wordt gesleept en opgebracht;
22-05-1808 aankomst Cork (zuidkust Ierland); gewonden naar het hospitaal gebracht;
27-05-1808 vertrek Cork,
31-05-1808 aankomst Plymouth;
02-06-1808 restant equipage van de Gelderland ontscheept en in Engelse krijgsgevangenschap;
11-06-1808 krijgsgevangen te Moreton Hampstead (Devonshire);
28-02-1809 op erewoord op vrije voeten, maar blijft krijgsgevangen tot uitwisseling;
1809 aan boord Engelse kartelbrik Marner;
05-03-1809 aankomst Hellevoetsluis;
27-12-1809 magazijnmeester bij de Marine;
12-12-1810 in Franse dienst na de inlijving;
15-07-1811 als krijgsgevangene uitgewisseld;
01-04-1814 eervol uit de Franse dienst ontslagen;
1814 Uit het corps schrijvers wordt opgericht een corps victualiemeesters. Het verzoek van Fiers om tot victualiemeester te worden benoemd wordt afgewezen.
De tocht van de Gelderland, begonnen op 5 maart 1808 en eindigend met het ongelukkige gevecht voor Kaap Finisterre op 19 mei 1808, staat uitvoerig beschreven in het scheepsjournaal van de commanderendofficier, kapitein-ter-zee Bartholomeus Jacobus Pool, afgesloten te Moreton Hampstead op 1 juni 1808. Zelf was deze reeds aan het begin van het gevecht gewond geraakt en benedendeks gegaan om verzorgd te worden, nadat hij een jong kadet had opgedragen de eerste officier, Johannes Boom, te gelasten het commando over te nemen gedurende zijn afwezigheid. Toen hij met pijn en moeite weer aan dek kwam, was het schip reddeloos geschoten en overgegeven.
De versie, die luitenant Boom naderhand van het gebeurde heeft gegeven, wijkt sterk af van het relaas van kapitein Pool. Boom verklaarde, onder ede, geen last te hebben ontvangen om het commando over te nemen. De kadet, die volgens de kapitein die last had moeten doorgeven, was tijdens het gevecht gesneuveld en kon dus geen licht op het gebeurde meer werpen. Boom voerde het bevel tussendeks, niet beter wetend of de commandant was op zijn post, toen hij opschrikte door een onbegrijpelijke en onvoorzichtige manoeuvre van de Gelderland. Hij snelde daarop naar het halfdek om te horen welke bevelendoor de kapitein gegeven waren, maar zocht deze vergeefs. Toen hij van anderen hoorde dat de kapitein gesneuveld was, of, tenminste, gewond van dek gegaan, heeft Boom eigener beweging het commando overgenomen, de schade zo veel mogelijk laten herstellen en het schip een voordeliger richting gegeven. Onder zijn leiding heeft de bemanning een hardnekkig en hevig gevecht geleverd met het zwaarder bewapende en talrijker bemande Engelse fregat Virginie, onder kapitein Edward Brace. Zelfs heeft luitenant Boom nog een poging tot enteren gedaan, maar de zware deining verhinderde
dat. Beide schepen slingerden geweldig tegen elkaar, waarbij de touwwerken verward raakten en de fokkera en boegspriet van de Gelderland afbraken; van overspringen kon geen sprake zijn.
Nadat de schepen weer los waren gekomen, trof de Gelderland een tweede en beslissend ongeluk. Door het verlies van de boegspriet was de fokkemast, die doornageld was, onvoldoende gesteund; deze brak af, viel achterover op de grote mast, welke eveneens bezweek en op zijn beurt de bezaansmast meesleurde. Tot overmaat van ramp brak er brand uit aan verschansing en zeilen. Het schip was een vrijwel weerloos wrak geworden, er bleef niets anders over dan te voldoen aan de herhaalde Engelse sommatie zich over te geven. Boom staakte derhalve het vuren en streek de vlag. Op dit gedenkwaardig moment vertoonde zich eensklaps, tot verbazing van zijn officieren, kapitein Pool op het halfdek. Zijn wonden leken zijn mensen niet van dien aard, dat hij daardoor belet zou zijn geweest
het bevel te voeren.
Na terugkomst van kapitein Pool in Holland, werd zijn gedrag onderworpen aan een onderzoek door de Hoge Militaire Vierschaar, die op 5 november 1810 vonnis velde. Hij werd wegens plichtsverzuim en lafhartigheid oneervol uit de zeedienst ontslagen, en als “meinedig, eerloos en infaam” voor altijd buiten Holland verbannen.’
Tot de tijdens het gevecht ernstig gekwetsten, behoorde ook de eerste schrijver, J.C. Kleijne. Het schip verloren, het scheepsvolk gesneuveld, gewond of krijgsgevangen. Maar de boekhouding moest doorgaan, dat spreekt. Van die taak kweet zich toen de tweede schrijver, Floris Pieter Fiers, die ongedeerd was gebleven. Deze heeft de boeken en bescheiden van de eerste schrijver overgenomen en de administratie op orde gebracht, zodat na terugkeer in Holland in maart 1809, het Bureau der Agterstallen en Hoofdelijke Betaling te Amsterdam de achterstallige soldijen (tot en met de dag van het gevecht) behoorlijk kon berekenen en laten uitbetalen. Dit leverde Fiers, al of niet op eigen verzoek, alleszins gunstige getuigschriften op van het hoofd van het betreffende Bureau en van bovengenoemde eerste schrijver, gedateerd 3 mei 1809.
Enige tijd later werd hij, wederom als tweede schrijver, geplaatst op een korvet en vervolgens op de Flottille in Zeeland onder bevel van schout-bij-nacht Ruijsch. Op 27 december 1809 volgde zijn bevordering tot magazijnmeester, in welke kwaliteit hij tot eind maart 1814 op het Schip van Linie Chattam heeft gediend; na de inlijving van Holland door Frankrijk, eind 1810, in Franse dienst. Deze jaren werden doorgebracht op de Zeeuwse wateren of in havenplaatsen zoals Hellevoetsluis, Rotterdam en, voornamelijk, Vlissingen. Hierboven staat dat Fiers op 1 april 1814 eervol uit de Franse dienst werdontslagen. Zelf schrijft hij diezelfde maand, in een request aan de Secretaris van Staat voor
de Marine, dat hij op de genoemde datum uit Vlissingen, toen nog door Franse troepen bezet, was ontvlucht. Hij had daarbij niets van waarde kunnen meenemen en verspeelde door zijn vlucht ook nog zevenmaanden gage. In uiterst benarde omstandigheden verkerend, verzocht hij derhalve om hem
“in eene convenabele qualiteit op eene van ‘s Lands Schepen van Oorlog te plaatsen, ten einde dat hij daardoor uit deze zijne noodlottige toestand worde gered”.
In een tweede request, even later, schrijft hij
“dat hij suppliant, thans geinformeerd zijnde dat er eenige scheepen en vaartuigen in dienst worden gesteld, de vrijheid neemt zich reverentelijk tot Uwe Excellentie te wenden met ootmoedige bede, dat het Uwe Excellentie moge behagen, den suppliant met eene plaats als Victualy-meester op eene der gemelde scheepen of vaartuigen te benificeeren, refererende de suppliant zich ten aanzien zijner kunde en bevoegdheid tot het waarnemen dier post aan de geannexeerde certificaten zijner Superieuren. ‘t Welk doende enz. F.P. Fiers”.
Hierboven staat dat het verzoek van Fiers om tot victualie-meester te worden benoemd, werd afgewezen. Dat moet echter een misverstand zijn. Hij is het wel degelijk geweest en heeft als zodanig een belangrijke actie meegemaakt, waarin nog iets van de Nederlandse maritieme traditie werd gehandhaafd, te weten de strafexpeditie tegen de Algerijnse zeerovers in 1815/1816.
Bij het Middellandse Zee eskader
Op 31 augustus 1814 werd Floris Pieter Fiers tot victualiemeester benoemd en in die kwaliteit geplaatst op ‘s Lands Fregat van Oorlog Kenau Hasselaar, onder bevel van kapitein-ter-zee Hendrik Maurits Dibbetz. Op 16 september daaraanvolgend kwam hij aan boord in Vlissingen.9 De Kenau Hasselaar, een bodem met 32 stukken kanon en bemand met 250 koppen, maakte deel uit van een Nederlands eskader van6 oorlogsschepen, bestemd voor de Middellandse Zee. Het stond onder oppercommando van schout-bijnacht Jan Tulleken. Volgens diens instructie,‘O was het hoofddoel van het eskader om
“door het inboezemen van een gepast ontzag voor de vlag van de Staat”, de Deij van Algiers te bewegen zijn zeeroverspraktijken tegen de Nederlandse koopvaardij te staken en de in slavernij verkerende Nederlandse schepelingen vrij te geven. Zo mogelijk te bereiken door diplomatiek overleg en het aanbieden van geschenken, via de Engelse consul ter plaatse. Maar ook door effectieve bescherming enkonvooiering van Nederlandse koopvaarders, waarbij geweld met geweld moest worden gekeerd.
In het scheepsjournaal dat kapitein Dibbetz bijhield, kan gevolgd worden hoe de expeditie door hem, als een van de gezagvoerende deelnemers, werd waargenomen” en welke logistieke en communicatieve problemen zich in die tijd en zover van huis zoal voordeden.
Het spreekt van zelf dat het onderhoud en de gevechtsvaardigheid van de kwetsbare houten zeilschepen tot de voortdurende zorg van een kapitein behoorden, evenals de geoefendheid van de bemanning. Maarook de voorraden en conditie van de levensmiddelen vereisten zijn aandacht, in dit geval uiteraard ook die van de victualiemeester. Een van de eerste notities in het journaal behelst de order aan Floris Pieter Fiers om in Rotterdam de victualie te gaan ontvangen. Deze werd verstrekt door het Commissariaat der levensmiddelen, uit ‘s lands magazijnen. De victualiemeester was verantwoordelijk vooropslag en zo goed mogelijke conservering daarvan aan boord en voor de distributie van de voorgeschreven rantsoenen. In warme streken moest rekening gehouden worden
met een snel bederf van de voedingsmiddelen en, zonodig, tijdige vervanging via de Nederlandse consuls in buitenlandse havenplaatsen.
Op eigen gezag kon de victualiemeester daarbij weinig doen. Toen, bijvoorbeeld, het schip in augustus 18 15 voor Napels lag, rapporteerde Fiers aan kapitein Dibbetz dat een vat vlees zo slecht was, dat hij het niet dorst uit te geven en dus, volgens de voorschriften, om een keuringscommissie verzocht. De
kapitein diende op zijn beurt hierom te verzoeken bij de commandant van het eskader, die twee van zijn officieren als keurmeesters benoemde. Deze keurden het vlees inderdaad af en lieten het overboordgooien. Bij een andere gelegenheid echter, vond de keuringscommissie, tot verbazing van Fiers, dat het vlees na goed met zeewater te zijn afgespoeld en daarna opnieuw ingezouten, nog best voor consumptie geschikt was. Ten onrechte, want een week later moest het toch worden weggegooid. Ook de overige eetwaren als brood, kaas, erwten, stokvis en spek waren aan bederf (en aan de scheepsratten) onderhevig en soms moesten grote delen daarvan worden afgekeurd. Als er dan niet snel, uiteraard na mandaat van de kapitein, nieuwe voorraad kon worden gekocht of overgenomen van een ander schip, leefde debemanning geruime tijd op een monotoon dieet.
Behalve uit zijn bemoeienissen met de victualie - die dus van gouvernementswege werd verstrekt, of, in vreemde havens gebruik makend van het netwerk van Nederlandse consuls, voor rekening van het gouvernement kon worden gekocht - was de victualiemeester verplicht het schip te voorzien van de nodige brandstof, kaarsen, lantaarns, vaten, kombuisgereedschap, tafel- en eetgerei (het zgn. kommaliewant). Dit diende hij voor eigen rekening aan te schaffen. Aan de wal genoot hij een vast traktement van f 600,- ‘s jaars. Aan boord echter werd zijn inkomen gevonden uit de emolumenten, die in zijn instructie12 waren opgesomd. De belangrijkste was wel dat hij aan het gouvernement, voor het
beschikbaar stellen van het kommaliewant, enz. voor iedere man op de complete monsterrol een halve stuiver per dag in rekening mocht brengen. Daarenboven zou hij
“voor het wel nakomen van zijn pligt en om met alle mogelijke eerlijkheid en zuinigheid het belang van den Lande te behartigen, nog vanwegen het Gouvernement genieten vier stuivers per dag van den tienden man over de compleete Rol, dat is te zeggen van de 100 man tienmaal vier stuivers, van de 50 man vijf maal vier stuivers, en zoo voorts”.
Het geheel lijkt een wat merkwaardige constructie: een mengeling van een gewoon dienstverband met een soort dienstverlenend ondernemerschap. Een handig manipulator wist daarin vermoedelijk wel voldoende rek te vinden om zijn inkomen positief te beïnvloeden; de onhandige moest een beetje op zijn tellen passen.
Uiteraard moest de victualiemeester nauwgezet boek houden van zijn handelen en alle ter zake doende
bescheiden bewaren. Hij was verplicht maandelijks een rekening en verantwoording aan de Commissaris der levensmiddelen in Amsterdam te zenden. Na afloop van een reis volgde de slotafrekening, na een diepgaande controle van zijn gehele administratie.
Na deze uitweiding over de plichten en bevoegdheden van een victualiemeester, in casu dus van Fiers, terug naar de expeditie. Op 14 oktober 1814 ging de Kenau Hasselaar onder zeil naar Texel, waar de rest van het eskader op de rede lag. Enkele weken later volgde het vertrek uit Nederland; in december passeerde het schip de Straat van Gibraltar en ging voor anker in de baai van Malaga. Hier verbleef men geruime tijd, wachtend op de schout-bij-nacht Tulleken, die met de rest van het eskader in Plymouth was achter gebleven en daar zelf op een ander schip, het van de Engelsen gekochte fregat Melampus,
was overgegaan. Het oponthoud van de schout-bij-nacht in Plymouth duurde nogal lang. Langer, vonden diens superieuren in Nederland, dan de staat van het eskader vergde; in een brief van mei 1815 werd hij dan ook namens de koning in niet mis te verstane bewoordingen tot spoedig vertrekken gemaand. Zijn talmend en onzeker beleid had in Nederland tevens twijfel doen rijzen aan zijn geschiktheid om demoeilijke onderhandelingen met de Deij van Algiers tot een goed einde te brengen. Tijdige vervanging door een doortastender commandant was echter niet meer mogelijk.
In juli 1815 arriveerde het eskader voor Algiers. Tulleken voer, vergezeld van een tweede Nederlands oorlogsschip, de baai binnen, waar de Engelse consul en enkele Algerijnse onderhandelaars aan boordkwamen. De laatsten vertrokken na enige tijd met betuigingen van positieve verwachtingen. Nu had de ervaring geleerd, dat Barbarijse machthebbers het best benaderd konden worden vanuit een sterke onderhandelingspositie en de positieve houding van de Algerijnen was volgens de Engelse consul dan ook voornamelijk te danken aan het feit dat drie van hun oorlogsbodems nog buitengaats waren en gemakkelijk door het Nederlandse eskader konden worden onderschept. Hoe waar dit
was, bleek weldra. Schout-bij-nacht Tulleken schatte de situatie verkeerd in en gaf onvoldoende instructies aan zijn onderhebbende kapiteins, met als gevolg dat de drie Algerijnse schepen die nacht ongehinderd de haven van Algiers konden binnenglippen. Toen Tulleken de volgende dag de baai weer binnenvoer om de onderhandelingen voort te zetten, werd hij begroet met kanonskogels. De onderhandelingen waren ten einde.
Het eskader, nu gesplitst in twee smaldelen, vertrok daarop om in de Middellandse Zee te gaan
kruisen. Op Algerijnse schepen, die men in zicht kreeg, werd gejaagd; soms kwam het tot een schotenwisseling, maar die schepen waren in het algemeen snellere zeilers dan de Hollandse en ontsnapten zonder veel moeite aan een echt gevecht.
Het journaal van kapitein Dibbetz maakt er geen gewag van of Fiers bij de krijgshaftiger momenten, die zich tijdens de kruistocht voordeden, ook nog een ondersteunende neventaak had. Onmogelijk is datniet, want gedurende gevechtshandelingen werd veelal ook een helpende hand geboden door die opvarenden, wier eigenlijk werk niet van doen had met vechten of het manoeuvreren van het schip. Fiers wordt wel met een zekere regelmaat vermeld, maar steeds met betrekking tot zijn gewone taken als victualiemeester. Ook in de brievenklappers van het Ministerie van Marine komt zijn naam vrij regelmatig voor, vaak in verband met de wissels die hij inzond ter betaling van door hem gekochte victualie. De
richtlijnen uit Den Haag voor aankoop en uitrusting stonden wel eens op gespannen voet met de realiteit in de havenplaatsen rond de Middellandse Zee. Italiaanse en Spaanse handelaren hadden, als dat hun beter uitkwam, weinig boodschap aan wat de marinebureaucratie in Nederland graag wilde en Fiers was dan ook soms gedwongen om te doen wat mogelijk in plaats van wat wenselijk was en voorgeschreven.Dat leverde dan van de kant van het Ministerie vragen of aanmerkingen op, die zo adequaat mogelijk moesten worden beantwoord. Ook kon het gebeuren dat pas in volle zee bleek dat het geleverde niet inovereenstemming was met het bestelde, zoals toen men wijn wilde tappen en de vaten wijnazijn bleken te bevatten.
Het gehele eskader lag in oktober 1815 in Livorno. Daar arriveerde toen ook viceadmiraal Jhr. Theodoor Frederik van Capellen, die inmiddels was aangewezen om schoutbij-nacht Tulleken in zijn commando te vervangen. Op de dertiende van die maand werden alle kapiteins aan boord van de schout-bij-nacht geseind, om kennis te maken met hun nieuwe commandant. Voor de heer Tulleken was het een hard gelag.In zijn eerste brief als eskadercommandant aan de Minister van Marine, deed admiraal Van Capellen nog een goed woordje voor de “eerlijken en loyaalen, ouden zeeman Tulleken”.” Het kon niet
verhinderen dat deze op non-actief werd gesteld en na een langdurig onderzoek naderhand door het Hoog Militair Gerechtshof wegens plichtsverzuim veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf. Een deel daarvan werd hem even later op zijn verzoek kwijtgescholden.‘
Op 25 october 18 15 vertrok het eskader uit Livorno naar Algiers. Onderweg moest een driedaagse hevige storm, die vrij wat schade aanrichtte, worden getrotseerd. De rest van het jaar en de eerste maanden van 18 16 werden voornamelijk kruisend doorgebracht, voor Algiers en langs de Afrikaanse kust, zeilend naar Gibraltar, Malaga, Alicante, dan weer overstekend naar Sardinie, Genua, Napels, enz. Voortdurend op zoek naar Algerijnse schepen, die zich echter uit de buurt hielden. Op 17 mei 1816 arriveerde het eskader opnieuw in de baai van Algiers, waar een sterke Engelse vlooteenheid onder commando van vice- admiraal Lord Exmouth voor anker lag. De Engelsman deelde zijn Nederlandse
collega mede, dat hij die nacht de Algerijnse vloot, de havenwerken en de stad wilde vernielen en nodigde hem uit aan die actie mee te doen, hetgeen met graagte werd geaccepteerd. Admiraal Van Capellen riep daarop zijn kapiteins bij zich en gaf hun de nodige orders.
Kapitein Dibbetz noteerde die dag in zijn journaal:” “Nimmer konde de admiraal een order uitgegeven hebben welke met meer vreugde ontvangen is dan deze. Aan boord komende, maakte ik dezelve bekendaan de officieren en equipage en als zij morgen naar eene kermis moesten gaan, kon er geen meer blijd schap in het schip zijn dan thans”.
De bemanning van de Kenau Hasselaar waakte die nacht in kwartieren “met het blanke wapen en brandende lonten” bij de stukken. Maar het werd een anti-climax: geen kanongebulder werd gehoord, geen kruitdamp gesnoven. Het was windstil. Dibbetz zag enkele Engelse schepen onder zeil gaan, maar de luwte belette hen om de hun toegewezen posten in te nemen. Verschillende Engelse sloepen met witte vlaggen voeren wel heen en weer en naar Algiers. Lord Exmouth bezocht in de loop van de volgende dag het vlaggeschip van vice-admiraal Van Capellen om deze van de gang van zaken op de hoogte te brengen enafscheid te nemen. De operatie was afgelast, aangezien de Deij de namens de
Engelse en Nederlandse regeringen gestelde voorwaarden had geaccepteerd. Het Nederlands eskader vertrok daarop in de richting van Gibraltar.
De Kenau Hasselaar had tijdens het verblijf in de Middellandse Zee regelmatig min of meer ernstige mankementen vertoond, die zo goed en kwaad als dat ging, verholpen konden worden. Op 2 juni 1816 echter, kruisende in de baai van Algiers, werd geconstateerd dat het fregat zeer lek was in de boeg. Admiraal Van Capellen oordeelde het toen beter het schip naar huis te zenden; op 15 juli arriveerde hetter rede van Hellevoetsluis.
Het zal kapitein Dibbetz en zijn enthousiaste bemanning zeker gespeten hebben dat zij door dit voortijdig vertrek de afloop van de expeditie niet hebben kunnen meemaken. De Deij van Algiers had nu welbeterschap beloofd, maar voor een Muzelmans potentaat van een roofstaat was een belofte jegens Christen-regeringen voornamelijk een tactische zet in een voortgaand conflict. Zodra de dreiging van een onmiddellijke en gevoelige afstraffing was geweken, werden de zaken op de oude voet voortgezet. Maar de maat was nu vol. Na een hooghartig afgewezen laatste waarschuwing, werd Algiers op 27 augustus 1816 gebombardeerd door zes Nederlandse oorlogsschepen onder vice-admiraal Van Capellen en 22 Britse bodems onder Lord Exmouth. Na een negen uur durende beschieting willigde de Deij alle hem gestelde eisen in en werden 1211 Europese slaven in vrijheid gesteld. De vloot van de Algerijnen was verbrand, de haven vernield en de halve stad in puin geschoten. Het was een zeer succesvolle actie geweest, en niet zonder risico’s, tegen een met forten, zware kustbatterijen en een talrijke vloot goed beschermd piratennest. Het kostte de Nederlanders 13 doden en 52 gekwetsten, de Engelsen 128 doden en 690 gekwetsten. Maar het doel was bereikt en in beide thuislanden was men in de wolken met het geslaagde verloop en het daaruit volgend vredesverdrag; het regende dankbetuigingen, hoge onderscheidingen en extra maanden soldij. Volgens oud en gemoedelijk zeemansgebruik kregen de manschappen ook nog een pond tabak, twee pijpen en een extra oorlam! De actie was het eerste en voor lange tijd ook het laatste belangrijke gevecht van de herboren Nederlandse zeemacht.
Rekening en verantwoording
Enkele maanden na de terugkeer in Nederland, werd de Kenau Hasselaar buiten dienst gesteld,*O m verband waarmede het personeel met ingang van 15 november 1816 werd ontslagen.” Ontslag uit marinedienst kon “finaal” zijn, maar een functionaris wiens vakbekwaamheid op een ander schip goed van pas zou komen, werd meestal op non-actief gesteld, met recht op een non-activiteits traktement. Dit laatste gebeurde met Floris Pieter Fiers, onder de voor victualiemeesters gebruikelijke bepaling dat over het non-activiteitsinkomen en de hoogte daarvan beslist zou worden, nadat de verantwoording van zijn administratie over de afgelopen reis goedgekeurd zou zijn.
In afwachting daarvan werd hij in januari 1817, weer als victualiemeester, op de Korvet Eendragt geplaatst en kreeg hij de opdracht zo spoedig mogelijk naar Nieuwediep te gaan om voor het kommaliewantvan zijn nieuwe schip te zorgen. Kort daarna werd hij teruggeroepen om op het Ministerie van Marine opheldering te verschaffen over verschillende vragen die bij de controle van zijn
administratie waren gerezen en om ontbrekende bescheiden alsnog te produceren. Reeds tijdens de tocht van de Kenau Hasselaar, hadden sommige handelingen van Fiers aanleiding gegeven tot schriftelijke vragen van de kant van het ministerie. Na zijn terugkeer in Nederland begon het echter pas goed. Er ontstond een intensief briefverkeer met hem en over hem; het onderwerp was bijna steeds de manco’sin zijn verantwoording over de afgelopen reis.**
Fiers heeft niet voldaan aan de opdracht zich bij het Ministerie van Marine te melden. Aangezien de bedenkingen tegen hem steeds toenamen, werd in april 1817 aan de Directeuren van Politie in Amsterdam en Rotterdam gevraagd hem op te sporen en in verzekerde bewaring te nemen, opdat de zaak van zijn falende administratie door een krijgsraad zou kunnen worden onderzocht.
Record ID Number: MH:N525
PRIN MH:I397
Note N167Intussen werd zijn rekening voor een tekort van circa f 5100,- belast. Korte tijd later werd hij in Rotterdam gearresteerd, waarbij hij een bedrag van f 2500,- ten behoeve van ‘s Rijkskas afdroeg. Zijn detentie heeft enkele maanden geduurd en werd doorgebracht bij de Concierge van het Hoog Militair Gerechtshof te Utrecht.
Leger en vloot kennen rangen en standen, ook in de provoost. Bij het Gerechtshof had men echter geen idee hoe een victualiemeester van de marine in het gevang diende te worden behandeld. De Advocaat-Fiscaal schreef daarover aan de Minister van Marine en kreeg ten antwoord dat Fiers overeenkomstig de rang van luitenant-ter-zee der tweede klasse kon worden “verpleegd”.‘( De tenlastelegging luidde:
“dat de gedetineerde op onderscheidene tijden gedurende zijnen dienst aan boord van het Fregat Kenau Hasselaar, een gedeelte van de onder zijne directie gestelde en van ‘s Rijkswegen aan hem toevertrouwde victualie aan verschillende personen had verkogt en veralieneerd, en hij mitsdien schuldig zoude zijn aan ontrouw en eene onbehoorlijke administratie in zijne qualiteit als victualiemeester”.
Fiers erkende het hem ten laste gelegde, en eveneens dat hij bij de verantwoording van de hem toevertrouwde victualie een bedrag van f 5089,09 tekortgekomen was. Hij realiseerde zich dat hij door dezehandelwijzen tegen zijn instructie had gehandeld en zich derhalve als victualiemeester aan ontrouw en kwade administratie had schuldig gemaakt. Tot zijn verontschuldiging voerde hij aan, dat hij zonder de medewerking aan boord zulks niet had kunnen doen; voorts beriep hij zich op de verregaande aandrang die op hem uitgeoefend werd om meer victualie te verstrekken dan de voorgeschreven rantsoenen,op de weinige zuinigheid die terzake werd betracht en op vermindering van sommige artikelen door eigen intering en slecht gewicht, waarvan het zeer moeilijk was om aan boord behoorlijke processen-verbaal te laten opmaken.
Het Hoog Militair Gerechtshof beschikte hiermede over een volledige bekentenis. Dat was echter op zich onvoldoende om tot een veroordeling te komen; daartoe was het nodig dat de confessie werd geconfirmeerd door de getuigenis van personen, die geacht konden worden van het gedrag van de beschuldigde kennis te dragen. Maar geen van de gehoorde getuigen heeft een daadzaak genoemd waaruit de door Fiers erkende verkoop van victualie zou kunnen blijken. De advocaat-fïscaal concludeerde derhalve:
“En dat vermits alzoo geene voldoende bewijzen voorhanden waren om den gedetineerde voor schuldig te houden, edoch mogelijk bleef, dat te eeniger tijd nog nadere bewijzen ten dien opzichte Wierden ingewonnen, hij advocaat-fiscaal vermeende aan den Hove te moeten voordragen en verzoeken, om den gedetineerde ter zake van de tegen hem ingebrachte en hiervoren omschreven beschuldiging, te absolveeren van de instantie”.
Aldus geschiedde. Bij sententie van 16 juli 1817 werd Floris Pieter Fiers door het Hoog Militair Gerechtshof, gelet op de Artikelen 158, 159 en 160 van de Rechtspleging bij de Zeemacht, geabsolveerd van de instantie, op vrije voeten gesteld, en gecompenseerd voor de kosten van het proces.
Dat was een onverwacht gunstige afloop voor Fiers! Het gaf hem aanleiding om onmiddellijke toekenning van non- activiteits traktement te vragen, maar de Minister van Marine oordeelde niet zo mild als het Gerechtshof had gedaan en liet hem weten dat zijn ontslag per 15 november 1816 als “finaal” ontslag uit de zeedienst moest worden beschouwd. Hetzelfde antwoord, met de verklaring dat hem geen volledige decharge van zijn administratie op de Kenau Hasselaar kon worden verleend, ontving hij op 7 oktober 1817, toen hij op grond van zijn vrijverklaring meende voor heraanstelling in aanmerking
te mogen komen.
Bij de gerechtelijke autoriteiten is misschien toch enige twijfel blijven bestaan over de juistheid van afhandeling van de rechtszaak. Althans, op 27 oktober 1817 vroegen zij alsnog aan de Minister omtoezending van de Instructie voor Victualiemeesters van 13 augustus 1814,
“teneinde de gedachten beter’te kunnen bepalen aangaande zeker punt dat bij de behandeling der zaak van Fiers was voorgekomen”.
Ik heb niet kunnen vinden dat dit voor de betrokkene nog enig gevolg heeft gehad.
De marine-archieven zwijgen verder over hem, afgezien van enkele vermeldingen van voornamelijk
boekhoudkundige aard in de eerste twee maanden van 1818.
Terugblik
Hoe verhoudt het voorgaande zich nu tot dat wat ik in mijn eerste artikel heb geschreven? Het is aanvullend en verduidelijkend; correctie van vermelde feitelijkheden blijkt niet nodig te zijn. Floris Pieter Fiers is vrijwel het gehele tijdvak, dat een “witte plek” in mijn verhaal vormde, in marinedienst geweest; buitengaats of in de Hollandse en Zeeuwse kustwateren, varend of in havenplaatsen aan de wal. Een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had hij niet, tenzij Rotterdam, waar hij bij tussenpozen leefde, als zodanig aangemerkt zou kunnen worden.
Het enige document uit die periode waarover ik toentertijd beschikte, was de overlijdensakte van Batje Fiers, welk meisje op 28 mei 1814 in Rotterdam ten huize van haar vader was overleden, 5 jaar en 9 maanden oud. Volgens de akte was zij een dochter van Floris Pieter Fiers, zonder beroep, en van Alida van der Meij, beiden gedomicilieerd te Vlissingen. Ik heb indertijd in het Vlissingse Gemeentearchief getracht hun verblijf in die plaats te traceren, maar zonder succes. Het waarom is nu wel duidelijk: Fiers diende destijds op de Flottille in Zeeland met Vlissingen als belangrijke thuishaven. Hij leefde dus
voornamelijk aan boord van zijn schip. Voorzover hij tijdelijk aan de wal verkeerde, zal dat wel in een of ander logement zijn geweest, evenals Alida van der Meij; als inwoners van Vlissingen stonden zij niet geregistreerd.
Op 1 april 1814 is hij, of zijn zij, uit Vlissingen vertrokken, eerst naar Den Haag en daarna naar Rotterdam, alwaar enige tijd later Batje Fiers is overleden. Ik meen in mijn vorig artikel genoegzaamte hebben aangetoond dat Batje Fiers onder de naam Batje Kock op 28 augustus 1808 te Rotterdam werd gedoopt, als dochtertje van Johannes Kock (of Kok) en van Alida van der Mijden (of van der Meij). In dit verband schreef ik onder meer:
“Ook is niet duidelijk waarom hij (Fiers) zich in 1814 voor Batje’s vader uitgaf. Of sprak de man de zuivere waarheid?” Welnu, dat laatste is heel wel mogelijk. Het fregat Gelderland, waarop Floris Pieter Fiers eerst diende, was, zoals op blz. 2 blijkt, van eind 1805 tot begin 1808 in Holland en een of meerdere ontmoetingen van hem in de tussentijd met Alida van der Meij in Rotterdam zijn zeker niet denkbeeldig. Voorzover het vaarschema van Fiers daartoe gelegenheid bood, zullen zij wel vaker in elkaars gezelschap hebben verkeerd, zeker nadat de onfortuinlijke echtgenoot van Alida, Johannes Kok, in maart 1810 uit Rotterdam en het Departement Maasland was verbannen.
Slot
Het jaar 1817 aan de wal was voor Fiers misschien spannender geweest dan de voorgaande jaren in vreemde wateren. In plaats van met piraten en bedorven victualie, had hij dit jaar te maken gekregen meteen tekort schietende geldelijke verantwoording en met gevangenisstraf, daarna wel vrijspraak maar blijvend ontslag uit de zeedienst. Eerder te land mislukt, later ter zee geen succes. Wat stond hem nog open? Zoals we weten zijn Floris Pieter Fiers en Alida van der Meij in 1818 samen naar Oost-Indië vertrokken. Daar begon een nieuwe levensfase. In maart 1819 werd hij aangesteld als boekhouder bij de marine-pakhuizen in Soerabaja en naderhand belast met de waarneming van de functie van onderkommissaris der Marine aldaar.
Lang is het niet goed gegaan. Wegens malversaties, in en buiten zijn ambt, werd hij in 1823 tot een langdurige gevangenisstraf veroordeeld. Dit vonnis was geveld door de Raad van Justitie te Soerabaja, een burgerlijk rechtscollege. Fiers voerde daar tegen aan dat in zijn functie, gezien het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te water, de militaire rechter als de competente rechter had moeten worden beschouwd en vroeg derhalve om vernietiging van het tegen hem geslagen vonnis en verwijzing van zijn
zaak naar een krijgsraad. Zijn formele argumentatie daarvoor was niet zo gek, hetgeen impliciet bevestigd leek te worden door de Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof in Batavia, wiens advies terzake was gevraagd door de Raad van Indië. Ik heb mij indertijd over deze actie van Fiers wel wat verwonderd, in de veronderstelling dat het militaire strafrecht zeker niet milder van aard zou zijn dan het burgerlijke, voor vergrijpen als die waaraan hij zich schuldig had gemaakt. Het lijkt mij nu duidelijk dat zijn onverwacht gunstige ervaring in het jaar 1817 met de militaire rechtspraak in Nederland, hem tot die
actie geïnspireerd heeft. De Raad van Indië heeft echter anders beslist en het vonnis van de burgerrechter onverkort gehandhaafd.
In 1824 is Floris Pieter Fiers in Batavia overleden tijdens een gedwongen transport terug naar Nederland. Einde van een avontuurlijk administrateur met eigen opvattingen over geldbeheer.
Noten
1. Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 42 (1988) 150.
2. Algemeen Rijksarchief te ‘s-Gravenhage (hierna: ARA), Archief Ministerie van Marine, Stamboeken
Marine-officieren 1814- 1850.
3. ARA, Archief van het Ministerie van Marine 1813-1928, A. Verbalen van de Commissaris-Generaal
voor de Marine 1813-1814, inv.nr. 21, stamboeknummer 2075.
4. ARA, Archief van het Ministerie van Marine 1813.1928, zie requesten van Floris Pieter Fiers aan
de Secretaris van Staat voor de Marine, gedateerd april 1814, en de bijlagen, gedateerd mei 1809.
5. M.J.C.Klaassen, De ofjïcier van administratie bij de Koninklijke Marine (Den Haag, 1965) 20-21.
6. ARA, Archieven van het departement van Marine 1795-1813 Aanhangsel 11, invm. 131.
7. J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen dl. 5 (Zwolle, 18693) 647-655.
8. ARA, Scheepssoldijrollen van Marine-instanties over de periode 1795-1813, inv.nr. 328, onder
meer fol. 40.
9. ARA, Archief Ministerie van Marine, Plaatsingslijst van de Scheepsrollen gehouden aan boord
van de schepen der Koninklijke Nederlandse Marine 1813-1913, invnr. 102, fol. 12, eninv.nr. 263, Kenau
Hasselaar.
10. ARA, Archief van het Ministerie van Marine 1813-1928, A. Verbalen van de Commissaris-Generaal
voor de Marine 1813-1814, omslag nr. 18, verbaal d.d. 4 okt. 1814 nr. 21, instructie voor schoutbij-
nacht Tulleken, commanderende het Middellandsche Zee Eskader.
ll. ARA, Archief Ministerie van Marine, Scheepsjournalen 1813.1966, inv.nr. 1877.
12. ARA, Archief Ministerie van Marine, A. Verbalen van de Commissaris-Generaal voor de Marine
1813-1814, omslag nr. 13, verbaal d.d. 13 aug. 1814 nr. 1, instructie voor victualiemeesters.
13. ARA, Archief Ministerie van Marine, B. Verbalen van de Secretaris van Staat voor de Marine
1814-1815, omslag nr. 41, verbaal d.d. 16 mei 1815 nr. 10, brief Algemene Secretarie van Staat.
14. ARA, Archief Ministerie van Marine, B. Verbalen van de Secretaris van Staat voor de Marine
1814-1815, omslag nr. 42, verbaal d.d. 31 mei 1815 nr. 1 bedenkingen tegen Tulleken en voorstel hem te vervangen.
15. ARA, Archief Staatssecretarie, De archieven van de algemene staatssecretarie en van het Kabinet
des Konings met de daarbij gedeponeerde archieven over 1813.1840, invnr. 5655, Secreet verbaal d.d. 16 juni 1817 no. 32; Sententie ten laste van schout bij nacht Tulleken, aangeboden bij brief Hoog Militair
204 Gerechtshof. Het gebeurde voor Algiers wordt vermeld in de overwegingen tot het vonnis.
16. ARA, Archief Ministerie van Marine, B. Verbalen van de Secretaris van Staat voor de Marine 1814-1815, omslag nr. 52, verbaal d.d. 6 sept. 1815 nr. 25 besluit dat vice-admiraal Van Capellen het
commando over het Middellandsche Zee Eskader zal overnemen.
17. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslag nr. 60, verbaal d.d. 10 nov. 1815 nr. 42, brief Van Capellen d.d. 17 okt. 1815.
18. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslag nr. 126, verbaal d.d. 25 juli 1817 nr. 4, besluit tot kwijtschelding overige tijd van detentie Tulleken.
19. Jaarboeken van het Koninkrijk der Nederlanden (1816) le stuk 1000 10; ARA, ArchiefMinisterie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslag nr. 94, verbaal d.d. 21sept. 1816 nr. 29, besluit tot toekenning onderscheidingen, enz. aan officieren en equipage Middellandsche Zee Eskader. Zie ook Staatscourant (18 17) nr. 7.
20. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslag nr. 98, verbaal d.d. 30 okt. 1816 nr. 30 besluit tot buiten dienststelling van aantal oorlogsschepen, waarbij de Kenau Hasselaar.
21. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslagnr. 100, verbaal d.d. 10nov. 1816 nr. 4 besluit tot ontslag groot deel van de officieren en equipage, inclusief Fiers, van de buiten dienst gestelde schepen. (Men monsterde in die tijd meestal voor de duur van een reis; alleen officieren en sommige onderoffïcieren hadden een commissiebrief voor langere tijd; zij konden tussentijds op non-actief worden gesteld).
22. ARA, Archief Ministerie van Marine. Bij een uitdunning van de oude marine-archieven zijn vele
brieven, briefkopieen en andere bescheiden - de “verbalen” - van minder belangrijke aard vernietigd.
Daarbij waren ook verschillende stukken waarin de naam Fiers voorkwam. Korte samenvattingen van de inhoud zijn te vinden in de onderwerpsgewijs bijgehouden “indexen”. Over Fiers komen vermeldingenvoor in de jaarindexen van 1815 tot en met 1818; vooral de index van 1817, G. generale index der verbalen van de Minister voor de Marine 1813-1928, inv.nr. 3897, is van belang. Beginnend met het jaar1816 bestaan op deze indexen alfabetische “klappers”, 1. Alphabeth register der persoonsnamen voorkomende in de Generale index, 1816-1928, onder de inv.nrs. 4305, 4306 en 4307.
23. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 18151900,
omslag nr. 117, verbaal d.d. 9 april 1817 nr. 37 verzoek tot arrestatie Fiers.
24. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900, omslag nr. 119, verbaal d.d. 2 mei 1817 nr. 6 quitantie van ontvangst in ‘s rijks schatkist.
25. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 18151900,
omslag nr. 121, verbaal d.d. 30 mei 1817 nr. 22, brief advocaat-fiscaal Hoog Militair Gerechtshof en antwoord Minister van Marine.
26. ARA, Archief Ministerie van Marine, C. Verbalen van de Minister voor de Marine 1815-1900,
omslag nr. 127, verbaal d.d. 7 aug. 1817 nr. 3, sententie voorzitter Hoog Militair Gerechtshof.
27. ARA, G. generale index der verbalen van de Minister voor de Marine 1813.1928, invnr. 3897,
index d.d. 3 sept. 1817, nr. 12, demissen.
28. ARA, G. generale index der verbalen van de Minister voor de Marine 1813-1928, invnr. 3897,
index d.d. 7 okt. 1817, nr. 20 justitie.
29. ARA, Archief Ministerie van Marine, G. generale index der verbalen van de Minister voor de
Marine 1813-1928, omslag nr. 134, verbaal d.d. 27 okt. 1817, nr. 40, verzoek om toezending instructie
victualiemeesters,
30. Zie het tekstdeel “Fiers in Rotterdam” op de bladzijden 140 en 142 van het Jaarboek van her
Centraal Bureau voor Genealogie 42 (1988).
3 1. De mogelijkheid bestaat dat Fiers ook de vader is geweest van het nabedoelde kindje. Op 26 augustus 1811 verscheen voor de Maire van de stad Rotterdam een vroedvrouw, die hem een dood kind van het vrouwelijk geslacht toonde en verklaarde dat Alida van der Meij, oud 27 jaar, zonder beroep, gedomicilieerd te Helvoet maar logerende aan de Schiedamsche Dijk, daarvan de moeder was. Als getuigen fungeerden Johannes Matthijs Vocrmans en Marcus van der Meij, eerstgenoemde was Alida’s zwager en laatstgenoemde haar stiefvader. Zie akte van aangifte dood geboren kind, Gemeentearchief Rotterdam, 26augustus 1811. [1]




Collaboration
  • Login to edit this profile and add images.
  • Private Messages: Send a private message to the Profile Manager. (Best when privacy is an issue.)
  • Public Comments: Login to post. (Best for messages specifically directed to those editing this profile. Limit 20 per day.)


Comments: 4

Leave a message for others who see this profile.
There are no comments yet.
Login to post a comment.
Wat een fantastisch verhaal! Dit verhaalmis absoluut de moeite waard om het layout technisch te verbeteren, wat het lezen eenvoudiger maakt. Ik weet niet van wie het profiel oorspronkelijk is geweest, maar ik hoor het wel als ik nodig ben.
posted by Margreet Beers
Top Bea! Ik net zo blind als de gemiddelde lezer soms! :D
Haha was er al bang voor, dus ook nog maar ff een link aan 't berichtje toegevoegd :P
posted by Bea (Timmerman) Wijma
Het profiel van Floris Pieter Fiers was te lang dus hier nu alle info toegevoegd en een link naar deze pagina in de Bio van Floris... ;)
posted by Bea (Timmerman) Wijma

Categories: Netherlands Project